Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Maandag 25 maart 2013

Marleen Reynders, Lic. egyptologie. 'Achnaton en Aton. De crisis van het polytheïsme in het oude Egypte'. 

Marleen Reynders tijdens haar lezing. Marleen Reynders tijdens haar lezing. Marleen Reynders tijdens haar lezing. Voorzitter Stef D'haene stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Marleen Reynders beantwoordde de vragen. Marleen Reynders beantwoordde de vragen. Marleen Reynders beantwoordde de vragen.

Maandag 11 maart 2013

Prof. Wim Coudenys, KULeuven. 'Eén Rusland? Poetins onmoeting met de Russische geschiedenis'. 

Prof. Wim Coudenys, KULeuven tijdens zijn lezing: 'En Rusland? Poetings ontmoeting met de Russische geschiedenis'. Prof. Wim Coudenys, KULeuven tijdens zijn lezing: 'En Rusland? Poetings ontmoeting met de Russische geschiedenis'. Voorzitter Stef D'haene  stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Prof. Wim Coudenys beantwoordde de vragen. Voorzitter Stef D'haene  stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Prof. Wim Coudenys beantwoordde de vragen. Voorzitter Stef D'haene  stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Prof. Wim Coudenys beantwoordde de vragen.
'Eén Rusland? President Poetins ontmoeting met de geschiedenis'.
 
Prof. Wim Coudenys, KULeuven.
 
Sinds Vladimir Poetin in 1999 in Rusland de macht overnam, lijkt het land weer helemaal zijn oude zelf: stuurs, antiwesters, autocratisch, orthodox en nationalistisch. Dit is grotendeels op het conto van 'tsaar' Poetin te schrijven: met zijn appèls aan het Russische patriottisme, zijn dreigende taal tegenover het Westen en een strakke, centralistische politiek wil hij de 'tijd der troebelen' van de jaren '90 doen vergeten. Onder zijn voorganger, Boris Jeltsin, had Rusland immers zijn internationale status verloren en was het ten prooi gevallen aan wild kapitalisme en kleptocratie.
 
In deze renaissance speelt 'geschiedenis' een belangrijke rol.  Is het huidige Rusland immers niet de erfgenaam van het Russische Imperium en de Sovjet-Unie, het land dat in 1945 quasi op zijn eentje (sic) Nazi-Duitsland ten val had gebracht?  En is Ruslands grootheid niet aan figuren als Ivan de Verschrikkelijke, Peter de Grote, Catherina de Grote, Lenin en Stalin te danken? Poetin heeft duidelijk de ambitie om zichzelf in dit rijtje in te schrijven. Dit doet hij niet alleen door de kieswetgeving te laten aanpassen (om continu aan de macht te kunnen blijven), maar ook door zijn regime als de logische opvolger van hun bewindsperiodes voor te stellen. Vergelijkingen die mogelijks ongunstig zouden kunnen uitvallen (en die zijn niet moeilijk te vinden), wijst hij net als zijn voorgangers op brutale wijze van de hand. Kritiek over het twijfelachtige democratische gehalte van zijn bewind pareert hij met de boutade dat Ruslands 'eigenheid' nu eenmaal een ander soort democratie vereist dan in het Westen. 
 
Ruslands 'soevereine' (of absolute) democratie wordt ook doorgetrokken in de historische voorstelling van Rusland zelf: die is te belangrijk om zomaar aan historici over te laten. Deze verliezen zich immers in de feiten en brengen de mensen in de war met tegenstrijdige interpretaties. Gezond patriottisme in een sterke staat vereist dat alle neuzen in dezelfde richting staan, of liever: onthouden wat Ruslands grootheid bevestigt en vergeten (of liever: nooit te weten komen) wat het imago van Rusland zou kunnen schaden. 
 
Om die reden zijn er vanaf 1999 systematisch pogingen ondernomen om een samenhangend beeld op te hangen van de Russische geschiedenis, die culmineert in het bewind van Poetin. Er wordt ingegrepen in het geschiedenisonderwijs, er worden nieuwe nationale feestdagen gecreëerd (en andere opgewaardeerd), geschiedenis wordt populair gemaakt in de media (met de verkiezing van de grootste Rus en (patriottische) historische drama's), enz. In 2009 wordt er zelfs een heuse presidentiële commissie opgericht die ten strijde moet trekken tegen de 'historische leugens' die over Rusland worden verspreid. 
 
In zijn lezing geeft Dr. Wim Coudenys (KU Leuven) een overzicht van de omgang met geschiedenis in Poetin-Rusland en plaatst die in zijn historische context. Dit laatste blijft niet beperkt tot de onmiddellijke gebeurtenissen sinds de van de Sovjet-Unie en de creatie van de Russische Federatie (1991), maar heeft ook oog voor de manier waarop de Russische geschiedenis in haar geheel wordt voorgesteld. 
 

Maandag 25 februari 2013

Prof. Dominique Bauer, Sint-Lucas Brussel-Gent. 'De Provence tussen Mistral en Cézanne'.

Prof. Dominique Bauer, Sint-Lucas Brussel-Gent tijdens haar lezing. Prof. Dominique Bauer, Sint-Lucas Brussel-Gent tijdens haar lezing. Prof. Dominique Bauer, Sint-Lucas Brussel-Gent tijdens haar lezing. Prof. Dominique Bauer, Sint-Lucas Brussel-Gent tijdens haar lezing. Voorzitter Stef D'haene  stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Prof. Dominique Bauer beantwoordde de vragen. Voorzitter Stef D'haene  stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Prof. Dominique Bauer beantwoordde de vragen.
De Provence tussen Mistral en Cézanne
 
   Frédéric Mistral (1830-1914) en Paul Cézanne (1839-1906) zijn twee iconen van de Provence. De schrijver Mistral is verbonden met de Provençaalse taal, met zijn dorpje Maillane nabij Saint-Rémy, met de pausenstad Avignon en met het Romeinse Arles, met Les Saintes-Maries-de-la-Mer in Mirèio (1859)... en met zovele andere plaatsen die een hoofdrol spelen in zijn werken, van Cassis aan de Côte d'Azur tot de Gorges de la Nesque in Le pays de Sault. Cézanne's wereld was Aix-en-Provence en de omgeving van de Mont Sainte-Victoire, gezien vanachter zijn schildersezel, op het idyllische familielandgoed Jas de Bouffan, later in het beroemde Atelier des Lauves, in Beauregard, rondom le Château Noir, vanuit de oude, feërieke  steengroeves van Bibémus...
   Op het eerste zicht lijken deze streek-en tijgenoten erg van elkaar te verschillen. Mistral bevroor de Provence in iconische beelden, in taal, in objecten,  in de allereerste diorama's of in de geïdealiseerde schoonheid van l'arlatenco, de arlésienne. Mistrals anti-beeld van een toen sterk veranderende Provence ligt verankerd in zijn nog steeds indrukwekkende woordenboek Lou Tresor dóu Felibrige (1880-1886), in zijn "iconische" huis in Maillane (1903, vandaag het Musée Frédéric Mistral) en tenslotte in het Muséon Arlaten in Arles (1896/1909). Mistral zag zijn Lou Trésor dóu Felibrige, een titanenarbeid van, handgeschreven,  14.000 pagina's, als een werkstuk dat in het verlengde lag van de literaire opgave van de zogenaamde Felibrige. De Felibrige was een literair genootschap van felibres of "leerlingen" (een woord uit een religieus liedje uit Maillane, wellicht van Hebreeuwse oorsprong), opgericht in 1854 door Mistral zelf en 4 medestanders in het kasteel van Font-Ségugne in Chateauneuf-de-Gadagne (Vaucluse). Net zoals de Felibrige en zijn woordenboek de Provence in woorden moesten bewaren, zo moest het Muséon Arlaten een tijdscapsule zijn in de vorm van objecten en diorama's.  Zo was tenslotte ook zijn definitieve huis in Maillane zelf een privé-museum, gedecoreerd met verwijzingen naar figuren uit zijn werk, als allegorische voorstellingen van de Provence. Zelfs zijn tuin moest een representatieve "staal" zijn van de Provençaalse flora.
   Heel anders leek Cézanne. Cézanne ruilde vastheid in voor beweging. Dingen, objecten en figuren verdwenen meer en meer achter kleuren en vormen. Cézanne trachtte de kleine wereld rondom Aix-en-Provence waaraan hij zo gehecht was weer te geven, maar paradoxaal genoeg deed hij dat in zekere zin steeds minder. "Iets" voorstellen bleek steeds minder wenselijk of evident. Stilaan ging de Provence als statisch motief op in een dynamiek van kleuren en vormen waarin de wereld eerder "filmisch" dan als een bevroren beeld werd gevat.... 
   Cézanne's composities lijken vaak onstabiel, het perspectief gedeformeerd, de ruimte gefragmenteerd. Gebouwen lijken wobbelig en hellen over, zoals in Maison et ferme du Jas de Bouffan (1889-1890) of in Maison Maria sur le Chemin de Château Noir (1895).  In Mardi Gras (1888) volgt Arlequin een ander ruimtelijk spoor dan de wand waarlangs hij loopt. L' Homme aux bras croisés (1899) en Nature morte avec le panier de fruits (1895) zijn slechts schijnbaar één, zij het een zeer beweeglijk, beeld. Eigenlijk zijn ze weergegeven vanuit verschillende standpunten tegelijkertijd. Daarom lijken ze te bewegen tussen de verschillende invalshoeken die Cézanne's werken binnendringen. Het perspectief in het stilleven Les grosses pommes (1890-1894) doet de appels haast letterlijk alle kanten uitschieten... De natures mortes in het œuvre van Cézanne zijn niet bepaald doods, laat staan statisch, te noemen.
 
   Toch zijn Mistral en Cézanne keerzijden van dezelfde medaille... Ze zijn getuigen van eenzelfde cultuur en maatschappij die reageerde op de grote en ingrijpende omwentelingen van de negentiende eeuw: de ontwikkeling van de moderne, bureaucratische natiestaat, waarin ook de Provence was terechtgekomen na de val van het Ancien Régime, en van de industriële omwenteling. Eigenlijk waren Mistral en Cézanne typische burgers uit de negentiende eeuw, burgers op  de vlucht voor een onpersoonlijke wereld die dingen gingen verzamelen in hun volgestouwde interieurs, waarvan Mistrals huis in Maillane een schitterend voorbeeld is, dingen waarmee ze zich konden identificeren, dingen waarmee ze zichzelf als het ware haast letterlijk konden "belichamen". Maar de dingen waren onherroepelijk slechts dingen, verzamelobjecten geworden. De tijdcapsule die het Muséon Arletan wilde zijn impliceerde geen nabijheid, maar slechts afstand en afwezigheid. En dat gold ook van Cézanne's ding, of, in de taal van de schilderkunst, le motif. Cézanne was erdoor geobsedeerd om dat onderwerp weer te geven, hij ging er obsessief naar op zoek tot de mistral (de wind, niet de schrijver) hem finaal velde, maar hij kon het steeds minder representeren. Steeds meer bleven er enkel maar kleuren en vormen over, als bouwstenen van de compositie.
 
   Dat maakt Mistral en Cézanne fundamenteel tragisch, en dat was trouwens typisch voor de door authenticiteit geobsedeerde burger van de negentiende eeuw in het algemeen. Zoals het echter vaak gaat in de geschiedenis, zijn het net de tragische figuren die onverwachte, soms zelfs grote dingen doen. in 1904 kreeg Mistral de nobelprijs literatuur. Het was de eerste (en enige) keer dat een regionale taal die eer te beurt viel. Lou Tresor dóu felibrige staat nog als een huis, het fascinerende Muséon Arlaten is voor velen nog altijd een tijdscapsule-wij zijn tenslotte nog altijd zelf wat die burgers uit de negentiende eeuw. Mistrals burgerlijke tuin in Maillane is trouwens een van de weinige die er in de Provence nog over zijn. Het Provençaals leeft nog steeds en trouwens steeds meer, ook als literaire taal, en dat is niet in het minst  ook de verdienste van Mistral. En Cézanne? Die is, al zijn nors door weer en wind lopen in de garrigue op zoek naar le motif dat hij niet kon vinden ten spijt, net omdat hij dat motif niet meer kon vinden en ondertussen de film(ische verbeelding) uitvond "de vader van de moderne schilderkunst" gebleken. 

Maandag 18 februari 2013

Prof. Lieve Goorden, UAntwerpen.  'Nanotechnoloieën, klein maar een grote toekomst'.

De Power-Point presentatie van deze lezing kan je met een klik op de kleinere foto's vergroten en bekijken. 

Lezing van Prof. Lieve Goorden. Lezing van Prof. Lieve Goorden. Lezing van Prof. Lieve Goorden. Lezing van Prof. Lieve Goorden. Voorzitter Stef D'haene stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Prof. Lieve Goorden beantwoordde de vragen. Voorzitter Stef D'haene stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Prof. Lieve Goorden beantwoordde de vragen. Voorzitter Stef D'haene stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Prof. Liliane Schoofs beantwoordde de vragen.
Synthesetekst bij de presentatie van Prof. Lieve Goorden.
 
Om optimaal de lezing van Prof. Lieve Goorden te reconstrueren print u best vooraf volgende synthesetekst uit. Volg dan met de tekst naast u de volgorde van de dia's.
 
Om het belang van nanotechnologie aan te geven, moeten we even teruggaan in de geschiedenis van de technologie. En dan zien we dat de mens met de uitvinding van nieuwe technieken steeds weer nieuwe ruimten wil ontdekken, steeds weer zijn ruimtelijke grenzen wil verleggen.
Ooit (15de, 16de eeuw) zijn we op ontdekkingstocht vertrokken vanuit Europa naar Azië , Afrika, Amerika,  om onze wereld in kaart te brengen. Dit deden we met de hulp van maritieme technologie, het kompas, kennis van de astronomie.
Dan zijn we op ontdekking uitgetrokken in de macrocosmos. Die reis is van start gegaan op 5 oktober 1957 met de lancering door de Russen van de eerste satelliet (spoetnik) in een baan rond de aarde. Dat is het begin van de internationale ruimtewedloop.
In 2000 lanceert Bill Clinton het allereerste grootscheepse nanotechnologie researchprogramma (National Nanotechnology Initiative). Deze brochure  ‘Nanotechnology’ wordt naar aanleiding daarvan verspreid onder het Amerikaanse publiek.
Vanaf dan zijn we op ontdekking vertrokken in de hele kleine ruimte (de nanocosmos), de ruimte van atomen en atoomstructuren, onzichtbaar voor het blote oog.  Hier zie je een beeld gemaakt met een elektronenmicroscoop van het atoomoppervlak van een silicium cristal.  
We zijn eindelijk in staat (dank zij de nieuwste elektronenmicrsocopen) om in die nanocosmos rond te kijken, rond te wandelen, en er atomen te verplaatsen. 
Eens we de volledige controle zullen verwerven over die nieuwe ruimte van afzonderlijke atomen, dan wordt volgens sommigen het onmogelijke mogelijk.  We zouden in principe de natuur en de wereld kunnen herontwerpen, atoom per atoom.  Je kan dan denken aan een meer duurzame wereld dan vandaag, een wereld die geen grondstoffen of energiebronnen verspilt, maar die zo efficient mogelijk gebruik maakt van de beschikbare atomen. Je kan ook denken aan een nieuwe meer ‘duurzame’ mens: een mens die gezonder is, langer leeft, slimmer is, mooier is, enzovoort.
Dat klinkt erg science fiction achtig, en we zullen straks zien welke de concrete vooruitzichten daarvan zijn.  Maar je kan zulke dromen niet zomaar van de tafel schuiven, want ze voeden de ideeën van wetenschappers die vandaag de onderzoeksagenda’s bepalen.
In de eerste eeuw voor Christus baseert de Romeinse dichter Titus Lucretius Carus zich op deze atoomleer om een lang leergedicht te schrijven. 
Het gedicht is recent nog vertaald door de Nederlandse auteur Piet Schrijvers: ‘Over de natuur van de dingen’.
Over naar vandaag. Wat is nanotechnologie? Of wat is het voorwerp van nanowetenschap, van het onderzoek dat zich afspeelt op de nanoschaal.
Wetenschappers  gaan eerst kijken naar hoe de wereld rondom ons, inclusief wjjzelf, is opgebouwd uit afzondelijke atomen en moleculen. Maar het blijft niet bij kijken en afbeelden alleen. 
Ze gaan ook met die afzonderlijke atomen aan de slag: ze gaan die atomen herschikken, ze gaan zelf atoomstructuren ontwerpen. Daarbij zijn de atomen gestapeld volgens een structuur die niet noodzakelijk in de natuur voorkomt.  Ze willen zo atoomstructuren bouwen om te verwerken in materialen en producten, die tot dusver ongekende nieuwe eigenschappen vertonen (bv. lichter, sterker, beter elektrisch geleidend, nieuwe optische eigenschappen).
 Adres van filmpje op Youtube:  een elektronenmicroscoop zoemt in op een tandwiel van staal (bestaande uit koolstof- en ijzeratomen) tot op het niveau van de afzonderlijke atomen.
De nanostructuren die nanotechnologen ontwerpen, noemen we ook wel nanodeeltjes of nanopartikels. Een nanodeeltje is een deeltje met afmetingen in de orde van 1-100 nanometer. Het bestaat uit enkele tot een paar duizend atomen.
Nanodeeltjes kunnen ook ontstaan door natuurlijke oorzaken (een bosbrand, een vulkanische uitbarsting). 
Maar nanotechnologen produceren kunstmatige nanodeeltjes met de bedoeling dat deze deeltjes specifieke eigenschappen zullen vertonen.
Een buckyball is een door nanotechnologen geproduceerd nanodeeltje, opgebouwd uit koolstofatomen, zeshoekige koolstofringen die een soort bal vormen.  Buckyballs hebben zeer specifieke chemische en fysische eigenschappen.
De gele band op deze schaal van afmetingen geeft de nanoschaal aan. Alle structuren die in één van hun drie dimensies kleiner zijn dan 100 nanometer (een tienduizendste van een millimeter) situeren zich in de nanoruimte.
De bouwblokken van de levende materie bevinden zich op die nanoschaal:
Een DNA-molecule (drager van onze erfelijke eigenschappen) meet in de breedte 2 nanometer (kan een paar honderdduizend atomen bevatten).
Een eiwitmolecule (regelt alle essentiële processen in onze cellen) meet tussen 3 en 10 nanometer (kan een paar duizend atomen bevatten).
Nanopartikeltjes van nanotechnologen zijn bijvoorbeeld:
Nanozilverdeeltjes, van een paar tot een paar honderd atomen.
Nanogouddeeltjes, van een paar tot een paar honderd atomen.
Nanokoolstofbuisjes met een doorsnede van een nanometer, ze kunnen wel enkele micrometers lang zijn.
Het is belangrijk om voor ogen te houden dat zowel de bouwblokken van de levende als van de niet levende materie zich op die manier op de nanoschaal bevinden. Want een combinatie van deze bouwblokken zal de essentie uitmaken van veel van de toekomstige generaties nanoproducten.
Nemen we het voorbeeld van het chemisch element koolstof.
1) Wetenschappers kijken hoe alle materie opgebouwd is uit afzonderlijke atomen:
We vinden het chemisch element of de atoomsoort koolstof in de natuur:
• in de vorm van diamant: is opgebouwd uit koolstofatomen, is een zeer hard, een zeer duur materiaal omwille van zijn specifieke glans; deze eigenschappen hangen samen met de specifieke stapeling van de koolstofatomen (zie afbeelding);
• in de vorm van grafiet van een potlood: is zeer zacht, niet duur, ook opgebouwd uit koolstofatomen, maar die liggen anders gestapeld, namelijk in parallelle laagjes (zie afbeelding);
2) Vervolgens gaan wetenschappers aan de slag met die atomen om atoomstructuren te ontwerpen met ongekende nieuwe eigenschappen:
Nanotechnologen zullen nu de structuur van die koolstofatomen herschikken, met de bedoeling koolstofstructuren te bouwen met hele nieuwe eigenschappen:
• nanokoolstofbuisjes: bij toeval hebben nanotechnologen ontdekt dat wanneer je methaangas opwarmt tot 800 graden, koolstofatomen zich spontaan zullen ordenen in de vorm van deze holle cilindervormige structuren, opgebouwd uit zeshoekige koolstofringen. Nanokoolstofbuisjes, verwerkt in materialen, blijken zeer licht en buigzaam te zijn en wel 100 keer sterker dan staal. Ze blijken ook sterk elektrisch geleidend te zijn.
• grafeen: wordt het lievelingsmateriaal van de natuurkundigen, het plastic van de 21ste eeuw. Grafeen is een materiaal dat volledig bestaat uit koolstof, en is onderdeel van grafiet. Grafiet (van het potloodpunt)  bestaat uit gestapelde laagjes van koolstofatomen. Als je met een potlood iets schrijft, schraap je een paar van die laagjes van de stapel af en duw je ze op het papier. Eén zo’n laagje noemen we grafeen. Grafeen is dus een plat laagje materiaal van één atoom dik: dunner dan dat kan niet. Het is dus ook verrassend eenvoudig van vorm.  De koolstofatomen vormen zeshoeken, waardoor grafeen er uitziet als een honingraat of kippengaas. Grafeen is doorzichtig, flexibel, stijf. Je kan het opvouwen, opblazen, sterk doe trillen. En de elektronen zoeven erover heen, het materiaal is dus sterk elektrisch geleidend.
Richard Feynman, een Amerikaans fysicus,  was de eerste die de mogelijkheden van nanotechnologie echt doorhad.
Hij was een visionair: hij voorzag al in 1959 dat de wetten van de fysica niet in tegenspraak zijn met de idee dat we ooit naar afzonderlijke atomen zullen kunnen zien en die atomen zullen kunnen verplaatsen. Alleen beschikken we nog niet over de nodige apparaten, aldus Feynman, om dat te doen.
In de tijd van Feynman bestaan er al wel elektronenmicroscopen. Die zijn uitgevonden in 1931. 
Met een lichtmicroscoop kan men maar details onderscheiden van minimaal 400 nm. Dat is te groot om afzonderlijke atomen en atoomstructuren te kunnen bekijken.
Met de elektronenmicroscoop van Ruska en Knoll kon men dat beeld 16 keer vergroten en tot op een detail van 200 nm kijken. Dat was nog niet genoeg om aan nanotechnologie te doen. Maar het principe was wel bewezen dat je ook andere golven dan licht kunt gebruiken, in dit geval een bundel elektronen die wordt afgeschoten op een stukje materiaal met een kleinere golflengte dan licht, om een beeld te maken. 
De eerste generatie nanoproducten komt nu op de markt. Ze bevatten diverse soorten nanopartikeltjes.
Nanodeeltjes (zilverpartikels, goudpartikels, titaniumdioxidepartikels, koolstofnanobuisjes, …) maken zonnebrandcrème transparant, laten sokken minder stinken, geven tennisrackets extra stevigheid en bieden bescherming tegen schade aan autolak.  
Ze zitten in de verpakking van voeding, om voedsel op versheid te testen en om voedsel vers te houden door bv. antibacteriële nanodeeltjes af te scheiden. Of soep met nanodeeltjes als antiklontermiddelen. 
Nanodeeltjes kunnen smaken intensifiëren of juist blokkeren.
Koelkasten, wasmachines scheiden zilver nanopartikels af voor hun antibacteriële werking.
Nanokoolstofbuisjes in chips en batterijen in mobiele telefoons: de chips worden alsmaar kleiner en krachtiger; de batterijen gaan langer mee.
Discussiepunt met betrekking tot deze eerste generatie producten: vormen deze nanodeeltjes een risico voor de gezondheid?
Aangebracht door vakbonden, door de ecologische beweging.
Risico-onderzoek is zeer complex!!! Er moeten verschillende vragen beantwoord worden:
1) Zijn nanodeeltjes gevaarlijk? Nanodeeltjes zijn reactief (= biologisch en chemisch actief: ze gaan gemakkelijk bindingen aan met andere stoffen, ). Dat maakt hen zeer attractief (nuttige elektrische, optische, magnetische, catalytische, … eigenschappen). Maar chemische reactiviteit vergroot de kans dat de deeltjes ook toxisch zijn. Of die toxiciteit ook gevaarlijk is, is afhankelijk van de unieke structuur van de deeltjes, want elk deeltje wordt met een bepaalde functie op maat ontwikkeld (het is steeds een originele combinatie van diverse parameters zoals lengte, massa, vorm, oppervlak, binding, weerstand, enz).;
2) Is er kans op blootstelling van de mens aan deze deeltjes? In principe zitten de deeltjes vast in het product bij gebruik van het product. Maar men moet heel de levenscyclus bekijken. Toxicoloog Borm: het komt een keer vrij, dat moeten we leren van asbest. Nanopartikels kunnen in het milieu terecht komen. Denk aan de zilverpartikels in kledij. Na een wasbeurt komt dat water in het rioolwater terecht, zo in het slib en wellicht in het ecosysteem.  Of zilverpartikels van koelkasten, nanokoolstofbuisjes van sportartikelen  komen bij het afval terecht. Vraag is, komen dan die deeltjes vrij? De natuur wijzigt ook de kenmerken van die partikels (vorm, grootte, oppervlak, …) dus ook de eigenschappen, dus ook de mogelijke toxiciteit.
3) Kunnen de deeltjes schade in ons lichaam aanbrengen? Moesten ze toch in ons lichaam terecht komen, dan hebben nanodeeltjes hetzelfde formaat als eiwitten, DNA en virussen. Ze kunnen daarom in cellen binnendringen en daar het DNA van die cellen veranderen. Ze kunnen ook de bloed/hersen barriere doorbreken (is een bescherming van de hersenen tegen schadelijke stoffen), dus tot in de hersenen geraken. Vraag is: kunnen ze daar schade aanrichten? Kunnen ze aan het DNA in cellen en aan hersencellen in de hersenen schade aanrichten met een impact op onze gezondheid?
Rapport van de Royal Commission on Environmental Pollution (UK) : de effecten van nanodeeltjes qua postieve functionaliteiten zijn meestal wel goed gekarakteriseerd. Maar dat is dikwijls minder het geval wat betreft hun lot of gedrag in organismen en het milieu. Er is een consensus onder de experts van het rapport dat de mechanismen van toxiciteit niet goed worden begrepen.
Ze stellen dat er mogelijk een verhoogd risico is op long- en cardiovasculaire aandoeningen vanwege koolstof nanobuisjes en buckyballs. Ook nanozilverpartikels kunnen mogelijks toxisch zijn. 
Borm: niet grootschalig beginnen toepassen in massaproducten zoals beeldschermen of in allerlei materialen (composieten ter versteviging, of om materialen geleidend te maken.) Ze komen een keer vrij. Daarom de hele levenscyclus van een product bekijken.
Donaldson: heeft nanobuisjes ingespoten bij muizen,en gemerkt dat  lange nanobuisjes van meer dan 15 micrometer kanker veroorzaken. Buisjes korten dan 5 micrometer doen dit niet.
Bloedcellen (macrofagen die rotzooi in ons lichaam opruimen)  kunnen zich niet om de lange nanobuisjes heenplooien. Net als asbestvezels blijven ze zitten op de buitenkant van het buik- en longvlies. En dat kan kanker van het buikvlies tot gevolg hebben.
Wat nu de kracht uitmaakt van onderzoek op de nanoschaal is, dat veel verschillende disciplines zich ermee zullen bezig houden. 
Niet alleen de fysische wetenschappers blijken geinteresseerd in de nanoschaal.
Ook de levenswetenschappers gaan hun aandacht verleggen naar de nanoschaal, denk aan moleculaire biologen, gentechnologen, hersentechnologen.
Ze komen elkaar als het ware allemaal  tegen op de nanoschaal, en ze gaan daar met elkaar samenwerken. En uit die samenwerking zullen de komende generaties nanoproducten ontstaan.
Die gezamenlijke focus op de nanoschaal, leidt voor de eerste keer in de geschiedenis van de wetenschap, tot samenwerking tussen wetenschappers bezig met het leven en wetenschappers bezig met de levenloze materie. En precies hier zitten de enorme mogelijkheden van de nieuw opkomende technologieën.
Symbool voor die samenwerking is bijvoorbeeld onderzoek waarbij men hersencellen poogt te bevestigen op een elektronische chip. Dit onderzoek is nog in een zeer experimenteel stadium en zou misschien ooit kunnen leiden tot het ontwerp van een hersenprothese bij neurologische aandoeningen zoals bv. de ziekte van Alzheimer.
Wat is hierin de rol van de levenswetenschappers?
• De gentechnologen leggen zich toe op de studie van de genen of het DNA  in de kern van hersencellen (neuronen). Die genen sturen de werking van de hersencel aan.
• De hersentechnologen leggen zich toe op de studie van de hersencellen en meer specifiek op de vraag hoe die cellen in netwerken met elkaar communiceren.
Wat is de rol van de fysische wetenschappers in die samenwerking?
• De nanofysici en –technologen leggen zich toe op de vraag hoe je de atomen van de levenloze chip kan vasthechten aan een stukje organisch materiaal  of aan de atomen/moleculen van de hersencel. Ze zorgen voor de connectie tussen dode en levende materie.
• De computertechnologen zijn nodig om de communicatie (de uitwisseling van informatie) te bestuderen en te realiseren tussen de chip (levenloze materie) en de hersencel (levende materie);
We mogen wel zeggen dat die nieuwe samenwerking tussen levenswetenschappers en fysische wetenschappers een radicaal nieuwe technologiegolf in gang zet.
We hadden in de 18de eeuw het begin van de industriële revolutie. De drijfveer achter deze revolutie was de uitvinding van machines - de mechanisering en later de automatisering van fabrieken - om op een steeds efficiëntere manier, de in de natuur voorhanden grondstoffen en energiebronnen te gebruiken. Dit in functie van het comfortabel inrichten van onze omgeving, zodat de mens zich comfortabel kan verplaatsen, comfortabel kan wonen, zich kleden, zich voeden, zich ontspannen, enzovoort. 
Met het einde van vorige eeuw en het begin van deze 21ste eeuw, maken we het begin mee van een nieuwe technologische revolutie. We gaan nu ook technologieën uitvinden, om die natuur , inclusief onszelf, heruit te vinden. Om zo een steeds betere controle te verwerven of meer greep te krijgen op de evolutie van het leven op aarde.
Je ziet hier het schilderij van Michelangelo : De schepping van Adam, een frescoschildering op het plafond van de Sixtijnse kapel. God raakt Adam aan die tot leven komt en zich opricht.  Door een vingeraanraking krijgt Adam de levensadem toegediend.  Maar hier heeft Adam een streng DNA moleculen vast. Dit sympboliseert de macht die de mens stilaan verwerft over de schepping, over het leven op aarde.  Of zoals sommigen zullen zeggen: de mens gaat nu zelf voor god spelen …
We gaan nu technieken ontwikkelen waarmee we de natuur en het leven dat ons gegeven is (sommigen zullen zeggen door God, anderen uit het niets), kunnen heruitvinden.
Zo zullen we ons lichaam en brein herontwerpen, met behulp van slimme pillen, de vernieuwing van cellen, weefsels, organen,  het inbrengen van prothesen en implantaten;
We omringen ons met slimme apparaten die onze intelligentie nabootsen. We zullen de apparaten die ons omringen slimmer maken, sommige van die apparaten zullen zelfs emoties tonen, zodat ze meer op onszelf, de mens, gaan lijken.
Doel van de moleculaire geneeskunde: 
De klassieke geneeskunde kijkt naar zieke organen: een zieke lever, longen, darmen, …. Met de technieken van moleculaire geneeskunde, het woord zegt het zelf, zullen we kijken naar de plaats waar ziekten ontstaan: en dat is precies op de nanoschaal. Men kijkt naar cellen, naar moleculen in die cellen, en naar wat er misloopt met die moleculen in cellen.  De klassieke geneeskunde, kijkt naar zieke organen, maar dan is het dikwijls al te laat. Door naar cellen en moleculen te kijken, kan de moleculaire geneeskunde optreden nog vooraleer er symptomen merkbaar worden, en op die manier de ziekte preventief bestrijden.  
Concept voor een nanocameraatje:
Een robotje dat door de aderen heen kan zwemmen. Australische wetenschappers bouwden een motortje om zo’n klein robotje aan te drijven. Door het robotje sensoren mee te geven en te injecteren in de bloedbaan kunnen artsen kijkoperaties uitvoeren zonder een patiënt open te snijden.
Concept van een slimme pil:
De pil bestaat uit een stukje biologische materiaal dat dienst doet als sensor in het lichaam, op zoek naar zieke cellen. In de pil zit een nanokoolstofbuisje voor het aansturen van de pil en het doorgeven van relevante data van de sensor aan een klein nanomotortje, dat op basis van die data beslist om bij een zieke cel een medicijn los te laten.
Zijn fantastische ontwikkelingen, bv. voor kankeronderzoek. 
Er is wat onderzoek gebeurt naar reacties van het publiek op dergelijke ontwikkelingen en daaruit blijkt dat dit ambivalente reacties uitlokt.  Er zijn altijd twee kanten aan de medaille:
Oké, het voorkomt wellicht ziekten, maar worden we niet permanent ongerust?
Oké, deze aanpak geeft ons meer keuzes: als we weten dat we een bepaalde kans hebben om een bepaalde ziekte te ontwikkelen, dan kunnen we onze levensstijl erop aanpassen (voeding, beweging,..). Of we kunnen preventief een ingreep laten uitvoeren. Maar, we zijn ook verplicht om alsmaar keuzes te maken in een context van onzekerheid, alsmaar onze verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen gezondheid. En dat kan stress veroorzaken. 
Met de inbreng van stamcellen in het lichaam, kan men cellen, weefsels, organen opnieuw laten groeien in het lichaam; om ze zo te vervangen als ze ziek zijn, maar misschien ook om ze permanent te verjongen, te vernieuwen (zoals je een auto naar de garage brengt om oude onderdelen te vervangen).
Stamcellen zijn daartoe ideale bouwstenen. Het gaat om cellen die zich in het lichaam kunnen ontwikkelen tot heel verschillende types cellen (levercellen, hartcellen, maagcellen, enzovoort). En ze kunnen weefsels vernieuwen voor de rest van iemands leven.
De meest krachtige stamcellen komen van embryo’s: maar hier speelt de ethische kwestie.
Nu kan men ook al volwassen cellen (bv. huidcellen) herprogrammeren tot stamcellen. Dit vormt wellicht de oplossing voor de ethische discussie.
Er moet nog veel onderzoek gebeuren naar de klinische effectiviteit en veiligheid van stamceltherapie.
Bij therapeutisch klonen of therapeutisch kloneren wordt in een eicel een somatische celkern van de patiënt geplaatst. Deze techniek noemt mennucleaire transfer. 
Deze cel bezit dan exact dezelfde genetische informatie (tenminste wat nucleair DNA betreft) als de patiënt, wat problemen met afstoting na transplantatie vermijdt. Deze cel zou men dan kunnen laten differentiëren tot een bepaald cel- of weefseltype of zelfs tot een volledig orgaan, en vervolgens implanteren in een patiënt.Deze techniek staat echter nog lang niet op het punt om groots uitgerold te worden. Om te beginnen is de voorraad beschikbare eicellen (ova) beperkt, bovendien is een efficiënte differentiatie tot bepaalde celtype(s) niet vanzelfsprekend. In het geval van de productie van een orgaan zou men bovendien moeten rekening houden met de driedimensionale vorm van het doelorgaan. Verder is er de kwestie van het mitochondriaal DNA, dat na nucleaire transfer nog steeds datgene van de eicel blijft.  
In de verdere toekomst zou een permanente vernieuwing of verjonging van cellen en weefsels mogelijk kunnen worden, of een  permanente uodate van ons lichaam.
Vandaag hecht onze maatschappij veel belang aan een jong, gezond, goed presterend, mooi lichaam. Dat ideaalbeeld wordt ons in de media en modebladen voorgehouden. We moeten eraan beantwoorden of we zijn niet gelukkig. We ontlenen een groot stuk van onze identiteit aan ons lichaam.  
Dit uit zich vandaag al in de wijze waarop bepaalde technische ingrepen in ons lichaam een hoge vlucht nemen: de plastische chirurgie, allerlei cosmetica om er jonger uit te zien (antirimpelcrèmes, botoxinspuitingen, ..). 
Denk aan het voorbeeld van de toenemende verkoop van het medicijn Viagra. Ouderdomsimpotentie werd lang gezien als een natuurlijk proces dat hoort bij het leven.  Met de ontwikkeling van viagra wordt ouderdomsimpotentie niet meer beschouwd als een ouderdomskwaal, maar bestempeld als een ziekte die behandelbaar is.  En geleidelijk is de reclame niet alleen meer gericht op de verbetering van de prestaties van ouderen, ook aan jongere mensen wordt het medicijn aangeprezen om hun sexuele prestaties te verbeteren. 
De vraag is: wat als technieken zoals stamceltechnologie op punt zullen staan? Die kunnen veel gerichter dan de huidige technieken onze lichamen verbeteren. Gaat stamceltechnologie die maatschappelijke trend nog versterken? 
Andy Miah, prof. Ethiek en nieuwe technologie, University of the West of Scotland, stelt de prococerende vraag: kunt u zich voorstellen dat de gevallen wielerheld, Lance Armstrong, alsnog op een schild wordt gehesen? In de toekomst kan het.
LA is schuldig bevonden. Heeft zelf schuld bekend. Zal niet meer aan een officiële sportwedstrijd kunnen deelnemen. Toch zijn er redenen, volgens de auteur van dit opiniestuk,  om aan te nemen dat men in de toekomst anders zal oordelen over zijn daden.
Want: enerzijds wordt van topsporters verwacht dat ze grote prestaties leveren, dat ze de grenzen van het menselijk kunnen verleggen. We hunkeren naar fantastische sportmomenten. Anderzijds is het menselijk lichaam niet echt geschikt om te voldoen aan die extreme eisen, voor sport op het hoogste niveau.
Vandaar dat dopinggebruiik (vandaag nog met alle risico’s vandien) algemeen blijkt, een systeem is geworden een cultuur die niet alleen meer een zaak is van individuele sporters.
Zullen we met behulp van opkomende  nieuwe technologieën, zoals stamceltechnologie, die trend verder zetten?
Met stamceltechnologie wordt het mogelijk om kunstmatige sperma en eicellen te ontwikkelen:

Een belangrijke doorbraak van wetenschappers van de Stanford University zet de deur open voor nieuwe vruchtbaarheidsbehandelingen. De vorsers zijn erin geslaagd uit embryonale stamcellen gametocyten - de voorlopers van sperma- en eicellen - te kweken. Die ontdekking moet het nu mogelijk maken nieuwe pistes voor de aanpak van vruchtbaarheidsproblemen te gaan verkennen en bijvoorbeeld therapieën te ontwikkelen die de productie van ei- of zaadcellen stimuleren.
Maar er is meer.  De vorsers maken zich sterk dat ze over pakweg vijf jaar ook in staat zullen zijn kunstmatig sperma en eicellen te produceren. Als ze daar daadwerkelijk in slagen betekent dit dat er in theorie geen man en vrouw meer nodig zijn om nieuw leven te creëren. 

Celbiologe Aarathi Prasad stelt dat men in de niet zo verre toekomst in staat zal zijn om kunstmatige baarmoeders te fabriceren in het laboratorium, die onze complexe couveuse technologie kunnen vervangen.
De maatschappelijke discussievraag die hiermee samengaat wordt: wat zal ‘ouderschap’ betekenen in de toekomst?
Nu discussiëren we al over de vraag: kan een vrouw alleen (een bewust ongehuwde moeder) een kind opvoeden? Kunnen twee mannen, een homofiel koppel, een kind opvoeden? Twee vrouewen?
In de toekomst zal de vraag naar de ron van solo-ouderschap nar voor komen. Temeer omdat we naar een steeds meer individualistische samenleving evolueren. Een man heeft geen vrouw meer nodig voor een eicel: hij laat die groeien uit eigen stamcellen. Een vrouw heeft geen man meer nodig voor sperma: ze laat die groeien uit eigen stamcellen. Beiden hebben geen baarmoeder meer nodig om het kind te dragen, om het embryo tot ontwikkeling te laten komen, ze gebruiken een artificiële baarmoeder in het laboratorium.
Zullen we die weg opgaan? En wat zijn de maatschappelijke implicaties?
Met nanotechnologie/hersentechnologie kunnen we hersencapaciteiten herstellen en verbeteren.
Diepe hersen stimulatie (DBS) wordt ook wel een pacemaker voor de hersenen genoemd.
Een elektrode wordt rechtsreeks in de hersenen geplaatst. De elektrode is verbonden met een onderhuids geïmplanteerde  neurostimulator bij het sleutelbeen : die stuurt kleine elektrische stroompjes naar de elektrode, en dat blokkeert of activeert de hersensignalen in bepaalde gebieden van de hersenen. Met DBS geneest men niet de oorzaak van de ziekte, men neemt enkel de symptomen weg. 
DBS wordt al toegepast bij erg zieke patiënten die leiden aan de ziekte van Parkinson, bij epilepsie, de ziekte van Gilles de la Tournette. Dit zijn neurologische aandoeningen, waardoor men ongecontrolleerde bewegingen maakt. Door het bijstellen van de stroom van de neurostimulator kan men de ziektesymptomen doen toe- of afnemen, kan de patient zijn bewegingen onder controle krijgen.  
Er is een trend gaande dat deze DBS techniek meer en meer ook wordt toegepast bij de behandeling van psychiatrische aandoeningen, als er dus iets mis loopt met onze emotionele of cognitieve capaciteiten. Bijvoorbeeld bij dwangstoornissen, verslavingen (bv. alcohol), eetstoornissen (obesitas, anorexia), aggressief gedrag, impulsief gedrag, fantoomgeluiden, fantoompijnen, depressie. Elk jaar komen er een paar aandoeningen bij. 
Er zijn steeds onbedoelde bijeffecten bij de toepassing van DBS. Het karakter, de persoonlijkheid, het gedrag van de patient kan veranderen. Patiënten kunnen na behandeling bijvoorbeeld impulsief gedrag vertonen, depressief of apathisch worden, enz.
Een belangrijk discussiepunt dat gepaard gaat met deze ingrepen in het brein is de vaststelling dat het onderscheid vervaagt tussen iemand die ziek is herstellen, en iemand die gezond is verbeteren, voorbij de geaccepteerde standaard van een normaal gezond iemand. 
We hebben in het verleden al gezien dat een medicijn, een medische techniek die ontwikkeld wordt om iemand die ziek is te genezen, geleidelijk aan ook door gezonde mensen zal worden gebruikt om de eigen cognitieve en emotionele capaciteiten te verbeteren. 
Zo is er het recente sterk stijgende gebruik van allerlei psychofarmaca (‘smart drugs’) om onze cognitieve en emotionele functies te verbeteren Dit is nog vooral een fenomeen in de VS, maar het waait over naar hier (cfr. de plastische chirurgie):
• Bijvoorbeeld wordt het medicijn Ritalin voor kinderen die aan ADHD lijden, een concentratiestoornis, steeds meer door gezonde volwassenen gebruikt (studenten, professoren, managers, …) om op bepaalde momenten (bv. bij examens, deadlines) hun concentratie te verhogen.
• Bijvoorbeeld temperen betablockers de hoge bloeddruk bij hartziekten, maar ze worden gebruikt door gezonde mensen om hun zenuwen te bedaren bij voorstellingen en lezingen. 
• Modafinil is bedoeld voor slaapstoornissen, maar wordt gebruikt om alert te blijven en slaap te onderdrukken, in bepaalde beroepen, bv. amerikaanse piloten in Irak, militairen,  artsen, verplegers, zakenlui met jetlag.
• Er is het stijgend gebruik van prozac, in feite bedoeld voor zware depressies, en wordt nu ook steeds meer gebruikt als we wat langer rouwen, liefdesverdriet hebben, en dergelijke.
Al deze middelen zijn steeds gemakkelijker via het internet verkrijgbaar.
Zie het boek van Trudy Dehue ‘De depressie epidemie’:  ze legt in haar boek een verband tussen het stijgend gebruik van psychofarmaca en onze op prestaties gerichte maatschappij. In onze competitieve maatschappij wordt de druk opgevoerd in de school, op het werk om te presteren, om goede resultaten te behalen. We zijn zelf verantwoordelijk voor succes of mislukking.
Vraag is of in dit algemene maatschappelijke klimaat, niet hetzelfde zal gebeuren met een technologie zoals hersenstimulatie (bv.DBS), wanneer die beter op punt zal staan en veel gerichter dan psychofarmaca cognitieve functies, intelligentie en emoties, kan verbeteren
Men voorspelt een enorme markt voor neurostimulatie. Er is een zeer breed toepassingsdomein.
Elk jaar komen er  6 tot 7 nieuwe indicaties naarvoor.
Wanneer we met technieken, met een elektrode,  ingrijpen in de hersenen, dan manipuleren we niet alleen iets biologisch, maar ook onze geest, die zetelt in het brein, (= ons karakter, onze gevoelens, ons bewustzijn) . Toch nog iets anders, dan een pacemaker voor het hart, of het inplanten van een kunstnier.
Discussievragen in de toekomst worden:
1) Bestaat er nog wel zoiets als een eigen persoonlijkheid, een eigen karakter, een eigen authentieke zelf?  
Dit is het thema van de film ‘Dirty Mind’: de hoofdpersoon (een stuntman) krijgt na ongeval een elektrode in de hersenen of een hersenprothese, hij verandert daardoor totaal van karakter (van bang en verlegen naar zeer assertief en  roekeloos gedrag). De vraag is: behoudt hij de prothese of niet?
Een jongen krijgt rond zijn twaalfde pillen Ritaline voorgeschreven.  Hij doet het niet slecht in de school, maar leerkrachten vinden dat hij slecht oplet en zich lijkt te vervelen. Zijn punten worden veel beter. 
 Op 15 jaar stopt hij even met de pillen. Met als gevolg:  ik kon me niet concentreren,  voelde me onrustig, stoorde de klas. Ik heb ze dus nodig, besluit hij. Het gekke is, met pillen gedraag ik me zoals ik echt ben. Slik ik ze niet, dan voel ik me niet zoals ik wil zijn. Sommigen voelen zich uitgevlakt, ik begrijp dat. Ritaline maakt je wat geremder, je haalt minder onnozelheden uit.
2) Bestaat nog zoiets als een eigen vrije wil, een eigen verantwoordelijkheid? 
Bij DBS zijn er steeds bijeffecten, het karakter van de patiënt verandert. Zo kan een patient manisch, impulsief, depressief gedrag gaan vertonen. Vraag is: is de patient dan voor zijn eigen gedrag verantwoordelijk (bv. als hij daardoor brokken maakt, zoals in het voorbeeld van een parkinson patient die schulden maakt, dure auto’s, huizen koopt, buitenechtelijek relaties aanknoopt)? Of is de arts verantwoordelijk, de familie, de ontwikkelaar van de elektrode en de stimulator?
We onringen ons met slimme apparaten, apparaten die onze intelligentie nabootsen en  die ons het leven zeer comfortabel willen maken.
Eerste generatie computers: mainframes, konden enkel bediend worden door specialisten.
Tweede generatie computers: PC’s (personal, staat voor persoonlijk.)
Derde generatie: onze omgeving wordt slim. 
Dank zij nanotechnologie worden computers steeds kleiner en krachtiger: ze kunnen steeds sneller grote hoeveelheden data verwerken.
Deze minuscule computertjes verdwijnen in de achtergrond, we zien ze niet meer. Ze worden ingebouwd in alledaagse voorwerpen zoals kledij, bed, koelkast, tapijt, huishoudapparaten, … Deze computertjes staan allemaal met elkaar in verbinding, ze kunnen onderling informatie uitwisselen, en ze kunnen met behulp van sensoren onze wensen en behoeften inschatten en daarop gepast reageren.
Voorbeelden:
De wekker zet de koffiemachine aan, afhankelijk van wie eerst opstaat. Het slim tapijt weet dit en seint die informatie naar de koffiemachine door.
De douche past zich aan aan de persoon die eronder staat: kracht van waterstraal, juiste temperatuur; 
Het tapijt meldt de beveiligingsfirma dat een vreemd iemand snachts door het huis loopt.
De verlichting, de kleuren van de muren, passen zich aan, aan de gemoedstoestand van de bewoners.
Sensoren in onze pyjama, t-shirt monitoren voortdurend onze gezondheid, en staan in verbinding met de computer van de huisarts, met de slimme ijskast.
De koelkast bepaalt autonoom welke ingrediënten op zijn. Hij bestelt ze, rekening houdende met het budget van het gezin, voorts bij. De boodschappen worden door de supermarkt aan huis geleverd. 
Ondertussen is Emma in de keuken om het avondmaal te bereiden. De slimme koelkast heeft een aantal interessante recepten gevonden op het internet die bereid kunnen worden met de ingrediënten die in huis zijn. Deze worden weergegeven op de ingebouwde display. Bij het voorstellen van de recepten heeft de koelkast rekening gehouden met een heleboel dingen. Ten eerste werd de allergie van tienerdochter Charlotte voor noten in achting genomen. Ook werd rekening gehouden met de gezondheidsinformatie bemachtigd door de slimme spiegel. De suggesties zijn vandaag dan ook zoutarm omwille van de hoge bloeddruk die vanochtend bij Peter werd vastgesteld. Verder werd er een optie gegeven om een product dat bijna zal vervallen op te gebruiken. Vandaag zijn dat enkele visfilets. Tot slot probeert de koelkast het gezin af en toe nieuwe dingen uit te laten proberen. Hij heeft deze week op eigen initiatief dan ook gnocchi, Italiaanse aardappelknoedels, besteld en een recept op basis daarvan gezocht. 
Ook wordt de hele sfeer in de keuken aangepast omdat er een Italiaanse schotel geserveerd wordt. De familieleden kunnen Italië bijgevolg niet alleen ruiken en proeven in het gerecht, maar ook horen door de aangepaste muziek en zien door de fantastische geprojecteerde panorama’s. 
Vraag is of dergelijke technieken door mensen gewenst zijn. 
Zo zagen mensen in burgerpanels volgende voordelen:
• Meer comfort en vrije tijd voor zelfontplooing.
• De appparaten kunnen verrassend uit de hoek komen (bv. de ijskast die een nieuw gerecht voorstelt). 
Ze stelden vragen bij:
• De verschraling van contacten, omdat men minder de deur uitmoet. Of meer virtuele contacten op afstand, waardoor oudere mensen langer thuis kunnen blijven via monitoring van gezonheid dank zij allerhande sensoren in hun kledij.
• Gevaar voor privacy: wat doet de supermarkt met alle gegevens over het gezin? Aan wie worden de gegevens doorgegeven (ziekenfonds, voedingsbedrijven, …)?
• Inperking autonomie: worden we niet te zeer afhankelijk van al die slimme apparaten?
Toekomst van intelligente apparaten:
In japan worden robotten al ingezet inde zorgsector.
De eerste industriële robotten (bv. in automobielfabrieken) stonden op een vaste plaats, zijn geprogrammeerd voor een bepaalde taak, en zijn meestal geïsoleerd van mensen.
Nieuwe robotten worden enerzijds  steeds intelligenter: ze bewegen zich, beslissen autonoom om een taak uit te voeren, ze leren uit ervaringen en passen hun taken aan.
Nieuwe robotten gaan interacties met mensen aan en daarom worden ook emoties belangrijk: het herkennen van emoties (bv. herkennen van gelaatsuitdrukkingen, stemverheffing, gebaren), hierop reageren door zelf emoties uit te drukken; vraag is of ze ook ooit emoties zullen kunnen voelen.
Ook de vorm is belangrijk: ze gaan steeds meer op mensen lijken (humanoids): omdat ze zich moeten bewegen in een wereld die op het menselijk lichaam is afgestemd (inrichting van woningen, trappen, ..) en omdat ze moeten omgaan met mensen;
Probo is een ontwerp van onderzoekers van de VUB (Vrije Universiteit Brussel) en dient om mens-robot-interacties te bestuderen. Probo heeft een hoog knuffelgehalte omdat er specifiek gericht wordt op kinderen. Zo zal de robot in de toekomst gebruikt worden om kinderen bij te staan gedurende hun verblijf in een hospitaal. Hij kan hen helpen bij het op afstand volgen van lessen (via schermpje), bij het informatie geven over hun ziekte, hij kan naar hen luisteren, hen troosten, ..
Bedoeling is dat de robot geleidelijk aan intelligenter wordt. Hiervoor moet de robot in staat zijn om de omgeving waar te nemen. Daarvoor is de robot uitgerust met heel wat sensoren, zoals een camera in het hoofd, verschillende microfoons en aanraaksensoren onder de vacht. Zo kan de robot kijken, horen, voelen en daarop reageren.
De mens slaagt er alsmaar beter in om slimme robotten te ontwerpen.
Een belangrijke discussievraag wordt hier: wat is leven? Dat wordt in de 21ste eeuw wellicht een zeer emotionele discussie. Moeten we in de toekomst een absolute grens blijven trekken tussen leven en niet-leven?  Tussen iets wat geboren wordt en iets wat gemaakt wordt? Is die grens niet mythisch?  
Want die grens begint in de praktijk van nieuwe technologische toepassingen de facto steeds meer te vervagen. 
Zie naar Japan, waar robotten al volop in de zorgsector worden ingezet: het blijkt dat mensen zich daaraan gaan hechten. Zie het boek van Timothy Hornyak: loving the machine.  Maar, wat als kinderen of mentaal gehandicapten, zullen omgaan met dergelijke systemen? Zij begrijpen niet volledig het mechanische en instrumentele karakter ervan.
Of: in de toekomst zal wellicht de discussie belangrijk worden of alleen natuurlijk geëvolueerde levensvormen (mensen, dieren) bepaalde rechten kunnen hebben, op een bepaalde manier beschermd moeten worden? Of ook kunstmatige vormen van leven?
Aanvankelijk hebben we slaven gezien als machines, daarna werden ze beschermwaardig, kregen ze rechten als mens. Ook hogere diersoorten kregen bepaalde rechten, je mag bv. een dier niet nodeloos pijn doen. 
Kunnen later misschien ook robots gradueel, naarmate ze intelligenter en emotioneler worden, bepaalde rechten krijgen?  Bijvoorbeeld: zullen eigenaars van intelligente robotten ermee kunnen doen wat ze willen, er geweld op plegen, er sex mee hebben?
Deze thematiek wordt aangekaart in de science fiction roman van Jeanette Winterson: een vrouwelijke robo sapiens en een vrouwelijke wetenschapster werken nauw samen in een toekomstige maatschappij en voeren hoog oplopende discussies over wat nu precies het verschil is tussen een mens en en intelligente robot.  Welke criteria moet men hanteren om het onderscheid te maken: geboren worden of gemaakt, bewustzijn, emoties, autonomie? Het blijkt dat al deze criteria stilaan uitgehold geraken, dat er een grijze zone ontstaat tussen mens en machine.
Of: het wordt er met de nieuwste technieken niet gemakkelijker op. Hoeveel potentiële voordelen ze ook in zich dragen.  Er zullen belangrijke ethische en maatschappelijke vragen komen bij kijken. 
Toch zegt de Duitse filosoof Peter Sloterdijk: we mogen onze kop niet in het zand steken, geen struisvogelpolitiek voeren. We moeten het spel actief meespelen, onze verantwoordelijkheid voor technologie opnemen.
We moeten onze toekomstige evolutie actief ter hand nemen. 
En dat betekent: We moeten ons daarop grondiger dan tot dusver gebeurde,  voorbereiden. 
Daarbij is angst voor techniek, wantrouwen in techniek, een slechte raadgever.
Die angst is van alle tijden, namelijk de angst dat de techniek zich tegen ons keert,  het doemdenken omtrent techniek. 
Kijk naar het schilderij, de Val van Icarus, toegeschreven aan Pieter Breughel de Oude. Icarus vliegt met wassen vleugels de zon tegemoet, maar de was smelt en hij stort in zee. Dit is het thema:  hoogmoed komt ten val. Als we te ver gaan met techniek, dan keert die techniek zich tegen ons, dan komt er allerlei onheil over ons.
Denk aan het boek van Mary Shelley (19de eeuw): Victor Frankenstein schept uit levenloos materiaal een mens die er monsterachtig blijkt uit te zien. In paniek vlucht de wetenschapper uit zijn labo en laat zijn technologie, het monster, aan zijn lot over.  Daarna gaat het monster overal dood en verderf zaaien.  Dus: in feite is het de wetenschapper die geen verantwoordelijkheid opneemt voor zijn technologie, waardoor de technologie allerlei problemen creëert.
Er is het verhaal van Aldous Huxley:  A brave new world:  De mensen die in deze wereld leven zijn niet op de ons bekende wijze ter wereld gekomen. Het "levend baren" is ouderwets en afstotelijk. Nieuwe mensen worden uitgebroed in laboratoria, zoals in de 'Londense broed- en kweekcentrale' (Central London Hatchery), waari embryo’s worden gemanipuleerd om te passen in een bepaalde stand of kaste (alfa, beta, gamma, delta, epsilon). 
Vandaag zijn er de Bioconservatieven (met ondermeer de Duitse filosoof Jürgen Habermas als woordvoerder):  Zij zijn per definitie tegen het verbeteren van mensen (het slimmer, mooier, sterker, gezonder maken van mensen). De mens mag volgens hen niet voor god spelen. 
Want als we daarmee beginnen ondergraven we de basisprincipes van onze liberale democratie, namelijk dat we allemaal als gelijke en vrije mensen geboren worden. Immers, op die manier zal je een maatschappij krijgen van verbeterde en van niet verbeterde mensen, van verbeterden en van verbeteraars die andere mensen programmeren.
Anderzijds: ook niet blind vertrouwen in techniek;  of het paradijs verwachten van technologie;  utopieën zijn opnieuw van alle tijden !
Francis Bacon: schreef een utopie New Atlantis, 1626. Op dit eiland in de toekomst leven de mensen dank zij de nieuwste technieken in een paradijs op aarde.
‘New Atlantis’ is een utopische maatschappij waar de mens via wetenschap, experimenten en techniek volledige contrôle verkrijgt over de natuur, de seizoenen, het klimaat. Iedereen is er gelukkig, gezond, leeft lang, heeft voldoende rijkdom.
Transhumanisten (in tegenstelling tot de bioconservatieven)  (vooral in VS en GB) zien het als onze morele plicht om de mens met technologie intelligenter, gevoeliger en sterker te maken, en hem zo een langer en gelukkiger leven te schenken.  Kortom, met technieken moeten we de mens perfectioneren, er een ‘transhumaan’ wezen van maken dat de mens van vandaag in alle opzichten in zijn schaduw zal doen staan. We hebben te veel intelligentie om hier op aarde maar zo kort te verblijven.
De evolutie stopt niet met de mens zoals die er vandaag uitziet.
Vandaag zien we al een loper die met kunstbenen sneller loopt dan een gewone loper. Er wordt voorspeld dat het niet ondenkbaar is dat men in sportmiddens zichzelf zal willen verbeteren met prothesen (een verderzetting van de trend van doping). Ook in middens van modellen: een model zonder benen beschikt over allerlei verwisselbare stellen van benen, zodat ze zich alnaargewenst groter of kleiner kan maken.
In sommige reclame in de VS is de idee dat we misschien wel naar een hybriede mens zouden kunnen evolueren, een cyborg (mengeling van mens en robot),  geen taboe meer.
We moeten volgens mij pragmatisch en realistisch zijn: met de technologische evolutie verschuiven onze waarden, onze morele kaders;
De pil was in de jaren ‘50 van vorige eeuw revolutionair, want hiermee werd het loskoppelen van sexualiteit en voortplanting mogelijk. Genieten van sex zonder reproductie. De pil kwam eind jaren vijftig in de Verenigde Staten als een nieuw middel tegen menstruatiestoornissen op de markt. Op de bijsluiter was als bijwerking tijdelijke onvruchtbaarheid vermeld. De onomwonden introductie van het begrip voorbehoedmiddel (want met dit doel was het medicijn wel degelijk ontwikkeld) werd op dat moment nog te riskant gevonden. 
In Vitro Fertilisatie: Robert Edwards, de man die met Louise Brown de eerste proefbuisbaby op de wereld zette in 1978, ondervond aanvankelijk zeer veel ethische weerstand. Later werd IVF een normale techniek bij vruchtbaarheidsproblemen van koppels, en kreeg Robert Edwards hiervoor de Nobelprijs.
Misschien  gaan we de weg wel op van een verbetering van ons lichaam en ons brein?  In elk geval voorspelt men dat daar een grote markt voor bestaat. Maar we moeten hierover goed nadenken, ons goed voorbereiden, zoals Sloterdijk zegt, onze verantwoordelijkheid opnemen. Hoe gaan we op een verantwoorde manier met die technieken omgaan? 
Wetenschappers zijn zelf vragende partij om hierover in debat te gaan met de maatschappij.
En daarvoor is meer dan ooit een dialoog nodig tussen tussen wetenschap en maatschappij. Wetenschappers willen en kunnen daar niet alleen over beslissen.
Zie de uitspraak van de nanotechnoloog van imec (nano-elektronica centrum in Leuven).
Of een geneticus, verantwoordelijk voor de DNA diagnostiek in UZ Leuven, Gasthuisberg:
Een volledige genoomanalyse, of een analyse van al onze genen zodat we weten welke genen defect zijn en de kans voor bepaalde zieketen vegroten, kan alsmaar sneller en goedkoper.
Eerst hadden we 10 jaar nodig om het eerste volledige menselijke genoom te analyseren tegen 3 miljard dollar. Met de nieuwste toestellen zullen we weldra in amper één week tijd een volledig genoom kunnen analyseren, voor een kostprijs van een 1000 dollar.  
De resultaten zijn verbluffend: we ontdekken voortdurend nieuwe gendeffecten. 
Met één test bij een embryo, kind, volwassen mens kom je steeds meer te weten: over de kans op latere ontwikkeling van bepaalde fysieke kenmerken, bepaalde karaktereigenschappen, bepaalde aandoeningen.
Grote vraag is: wat zeg je wel of niet tegen toekomstige ouders van een ongeboren kind, tegen de ouders van een kind dat al geboren is, tegen een volwassene over zijn toekomst.
Kan die informatie beschikbaar zijn voor andere instanties die erom vragen, bv. werkgever, verzekerings-maatschappijen, familieleden, …. 

Maandag 4 februari 2013

Prof. Giovanni Schallenbergh, UGent.  'De democratische omwenteling in het Midden-Oosten'. 

Voorzitter Stef D'haene bij de inleiding van de lezing van Prof. Giovanni Schallenbergh, UGent. Prof. Giovanni Schallenbergh tijdens zijn lezing: 'De democratische omwenteling in het Midden-Oosten'. Prof. Giovanni Schallenbergh bij het beantwoorden van de talrijke vragen van onze UDL-leden.

Maandag 28 januari 2013

Prof. Liliane Schoofs, KULeuven.     'Hoe sterk gelijken we op wormen en insecten? Een revolutionaire kijk op de hersenen' 

Prof. Liliane Schoofs tijdens haar lezing. Prof. Liliane Schoofs tijdens haar lezing. Voorzitter Stef D'haene stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Prof. Liliane Schoofs beantwoordde de vragen. Voorzitter Stef D'haene stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Prof. Liliane Schoofs beantwoordde de vragen.
 
Hoe sterk gelijken we op wormen en insecten?
Een (r)evolutionaire blik in de hersenen
 
Liliane Schoofs
 
1. Inleiding
 
In 1998 werd het erfelijk materiaal (het genoom) van het eerste dier, de bodemnematode worm in kaart gebracht. Daarna volgden snel genoomprojecten van de mens en van verschillende andere dieren. Erfelijk materiaal bestaat uit DNA (desoxyribonucleïnezuur), dat met behulp van een alfabet van vier letters (de basen A, T, C en G) de informatie van het leven bevat. Het menselijk referentiegenoom telt ruim drie miljard basenparen. Daaronder vallen de chromosomen 1 tot en met 22, en het X- en het Y-chromosoom. Over hoeveel informatie spreken we hier? Voor de mens is dit te vergelijken met tweehonderd telefoonboeken van elk duizend bladzijden vol gedrukt met deze vierlettertaal. 
Een gen is een stuk DNA dat de instructies (code) bevat om een bepaald proteïne (eiwit) aan te maken. Proteïnen zijn al dan niet opgevouwen ketens van aminozuren. Zij zijn de functionele moleculen in levende organismen en staan in voor de correcte uitvoering van de biologische processen. Eén van de belangrijkste onthullingen van de genoomprojecten is dat onze genen, die ons leven sturen, sterk gelijken op de genen van andere organismen; zelfs op genen van kleine, eenvoudig ogende dieren, zoals wormen en vliegen. We zijn dus niet zo uniek als we dachten: als apen onze broers zijn, dan zijn fruitvliegen en wormen onze neven. 
 
2. De code van het leven
 
Het genoom is het geheel van genen of de code van het leven, en is aanwezig in elk van onze cellen. Tot een aantal jaar geleden werd algemeen aanvaard dat het menselijk genoom minstens honderdduizend genen zou bevatten. Deze zouden nodig zijn om de zogenaamde ongelofelijke complexiteit van de mens te verantwoorden. Wormen en fruitvliegen werden verondersteld genetisch veel minder complex te zijn dan mensen. Het tegendeel bleek echter waar: een eerste zeer verrassende vaststelling was dat de mens, de fruitvlieg en de worm een vergelijkbaar aantal functionele (eiwitcoderende) genen hebben. Zo bevat het genoom van de slechts 1 mm lange rondworm Caenorhabditis elegans ongeveer twintigduizend eiwitcoderende genen en het genoom van de fruitvlieg Drosophila melanogaster bevat er eenentwintigduizend. Het menselijk genoom telt ongeveer vijfentwintigduizend genen. Dat zijn er dus heel wat minder dan oorspronkelijk verwacht.
Nog meer verrassingen kwamen aan het licht toen de verschillende genen van wormen, mensen en fruitvliegen met elkaar werden vergeleken. Hieruit bleek dat ongeveer zestig à zeventig procent van de menselijke genen tegenhangers hebben in wormen en fruitvliegen (Komberg et al., 2000). Sommige genen zijn zelfs in die mate gelijkend dat ze in de worm of in de fruitvlieg kunnen vervangen worden door menselijke genen, en hier de functies van de overeenkomstige worm- of vliegengenen kunnen overnemen. Het omgekeerde kan uiteraard niet worden getest.
 
3. De evolutionaire stamboom van het dierlijk leven
 
Wanneer we de evolutionaire stamboom van het dierenrijk bekijken, kunnen we op basis van de embryologische ontwikkeling twee grote takken onderscheiden (Fig. 1). Deze worden fylogenetische lijnen genoemd. Fruitvliegen en wormen behoren tot de fylogenetische lijn van de Protostomia. Dit zijn dieren waar de mond eerst wordt gevormd in de embryologische ontwikkeling en later de anus. De mens behoort, samen met alle andere gewervelde dieren, tot de fylogenetische lijn van de Deuterostomia. In tegenstelling tot de Protostomia wordt bij deze dieren de anus het eerst gevormd; de mond ontstaat pas later in de embryologische ontwikkeling.
Hoewel beide lijnen zeshonderd à zevenhonderd miljoen jaar geleden van elkaar scheidden, zijn de basisbeginselen van hun fysiologische systemen niet alleen even complex maar ook sterk gelijkend. Aan het einde van de vorige eeuw was de algemene gedachtegang nog dat het neurohormonaal systeem van invertebraten (dieren zonder wervelkolom zoals wormen en vliegen) totaal verschillend en bovendien veel eenvoudiger was dan dat van vertebraten (dieren met wervelkolom). Met de genoomprojecten werd het bewijs geleverd dat de gemeenschappelijke voorouder van Protostomia en Deuterostomia, die dus minstens zeshonderd miljoen jaar geleden leefde, al veel verder geëvolueerd was dan algemeen werd aangenomen. 
De manier waarop de genoomprojecten ons huidige identiteitsbesef aan het veranderen zijn, is te vergelijken met de grondige wijziging van het wereldbeeld tijdens de Renaissance, toen duidelijk werd dat de aarde om de zon draait. Het beeld van de unieke mens moet wijken voor het besef dat ons genetisch bouwplan veel gelijkenissen vertoont met dat van andere dieren. Het DNA van onze gemeenschappelijke voorouder leeft voort in al de nu levende wezens die van deze voorouder afstammen, met name alle dieren. Sommige delen zijn honderden miljoenen jaren lang behouden gebleven in opeenvolgende generaties van organismen. In zijn boek Unweaver the Rainbow pleit Richard Dawkins ervoor om dierlijk DNA te zien als een ‘genetisch boek der doden’, een beschrijvend rapport van voorbije werelden, veel beter bewaard en gedocumenteerd dan de meeste geschiedkundige bronnen. Uiteindelijk is de boodschap van het leven van onze voorouders (in vertragend tempo terugkerend in de geologische tijdschaal zijn dat een voorhistorische mens, een aapmens, een spitsmuis, een reptiel, een vis, een chordaat, een meercellige bilateraal symmetrische worm, een ééncellige met kern, de oerbacterie) vastgelegd in het DNA dat door de zeven van natuurlijke selectie is kunnen passeren. Als we dit DNA-archief kunnen lezen en interpreteren, beschikken we over een schat van informatie over het verleden. Het lezen van het DNA-schrift kunnen we al. Nu is het de kunst om elk woord (elk gen) juist te interpreteren. 
 
4. Kijk en vergelijk: de fruitvlieg en de worm als modelorganisme
 
We staan aan het begin van een nieuw tijdperk. De genoomprojecten hebben ons met voldoende geheimen opgezadeld om op te lossen. Nu we beschikken over een gigantisch instructieboek voor het menselijk leven, staat de uitdaging voor de deur om de functies van alle genen te ontcijferen. Wetenschappers hebben bovendien niet alleen het genoom van de mens in kaart gebracht. Ook de genomen van de muis, de rat, de koe, het varken, de hond, de kangoeroe, diverse planten zoals rijst, maar ook van ‘eenvoudigere’ organismen zoals gist, de rondworm en de fruitvlieg zijn inmiddels ontcijferd. Van de ellenlange codes die in de genoomprojecten letter voor letter gelezen werden en die opgeslagen werden in biologische gegevensbanken (zie http://www.ncbi.nlm.nih.gov/Genbank/index.html), moeten we nu ontdekken waarvóór ze precies coderen. Voor deze immense taak zijn kleine modelorganismen – zoals de fruitvlieg en de worm – uiterst geschikt. Onderzoekers kunnen hun genen vrij eenvoudig manipuleren of zelfs uitschakelen en nagaan wat hiervan het resultaat is. Deze experimentele aanpak is uiteraard niet mogelijk bij mensen. Het uitschakelen van genen bij gewervelde modelorganismen, zoals muizen, duurt ook veel langer en bovendien stuit onderzoek op muizen vaak op weerstand bij dierenrechtenorganisaties. 
Drosophila melanogaster (ook gekend als het bananenvliegje) werd door Thomas Hunt Morgan (Nobelprijswinnaar in 1933) als een van de eersten op grote schaal gebruikt in laboratoriumonderzoek naar erfelijkheid. Tegenwoordig wordt de fruitvlieg beschouwd als het model der modellen in de dierkunde. Dit dankzij het gemak waarmee de vlieg gekweekt kan worden, het grote aantal eitjes dat per vlieg wordt geproduceerd, de korte generatiecyclus van tien dagen, het kleine aantal chromosomen, het voorkomen van spontane mutaties en het gemak waarmee mutante stammen kunnen worden gemaakt. Onderzoek op de fruitvlieg heeft de basis gelegd voor zeer belangrijke ontdekkingen in de genetica en de biologie. Eén van de meest fundamentele realisaties was, dat wat gold voor de fruitvlieg ook bleek op te gaan voor andere organismen, inclusief Homo sapiens. Bij Drosophila werden ook de algemene grondbeginselen van het embryonale bouwplan van multicellulaire organismen blootgelegd. Eric Wieshaus en Christiane Nusslein-Volhard kregen hiervoor de Nobelprijs in 1995. Op dit moment zijn er meer dan honderdduizend publicaties verschenen waarin de fruitvlieg figureert, met onderwerpen zo divers als veroudering, verslaving, agressie en onderzoek op de hersenen.
C. elegans is een klein wormpje van 1 mm groot. De ontwikkeling van bevruchte eicel tot volwassen worm met exact 959 cellen is uitgebreid beschreven: we weten precies welke celdelingen er optreden en welke cellen contact maken met welke cellen. Een C. elegans-populatie bestaat hoofdzakelijk uit hermafrodieten (vrouwtjes die zich zonder mannetjes kunnen voortplanten), met daarnaast een zeer klein percentage aan mannetjes. De voortplanting gebeurt hierdoor ontzettend snel, vaak zonder dat er vreemde genen aan te pas komen. Een generatiecyclus duurt drie dagen, waarbij elke hermafrodiet tot 200 eitjes kan leggen. De wormen eten bacteriën en leven ongeveer drie weken tenzij ze overgaan naar het dauer-stadium. Dit is een ruststadium gekenmerkt door een laag metabolisme, waarin de wormen enkele maanden kunnen overleven.. De worm is genetisch ook gemakkelijk te manipuleren en is snel in grote massa kweekbaar. Door zijn transparant voorkomen kunnen inwendige processen visueel opgevolgd worden door het gebruik van fluorescerende proteïnen. Voor de ontdekking van het groene fluorescerende proteïne (GFP) en de expressie van het corresponderende gen in een levend organisme (eerst in de bacterie Escherichia coli en daarna in C. elegans) werden Osamu Shimomura, Roger Tsien en Martin Chalfie vorig jaar beloond met de Nobelprijs Chemie (2008). C. elegans is een recent modelorganisme, geïntroduceerd in de jaren 1960 door Sydney Brenner, die er in 2002 samen met Robert Horvitz en John Sulston de Nobelprijs mee ontving voor onderzoek op apoptose, dit is geprogrammeerde celdood, een noodzakelijk biologisch proces tijdens de ontwikkeling. Onderzoek op C. elegans werd in 2006 nogmaals bekroond met de Nobelprijs voor de ontdekking van het mechanisme van RNA-interferentie (RNAi). Dit is een methode waarbij de boodschappermoleculen van genen, RNA (ribonucleïnezuren) genaamd, functioneel uitgeschakeld worden. We kunnen wormen voeden met bacteriën die de moleculen aanmaken om het RNAi-mechanisme in gang te zetten en op deze manier de werking van genen specifiek uitschakelen.
Vermits zestig tot zeventig procent van de genen bij wormen en insecten een tegenhanger heeft in het menselijk genoom, zijn deze kleine modelorganismen zeer geschikt om fysiologische basisprincipes te ontrafelen. Wat zijn die fysiologische basisprincipes die bij wormen, insecten en de mens gelijkaardig zijn? Iets dat niet goed functioneert, wordt door natuurlijke selectie weggefilterd. Voor goed functionerende principes werkt natuurlijke selectie conservatief, zodat wat functioneel belangrijk is zorgvuldig wordt behouden tijdens de evolutie. Deze benadering staat bekend als phylogenetic footprinting. De voetafdruk van een functioneel kenmerk blijft herkenbaar in de genomen van organismen die vele miljoenen jaren geleden uit een gemeenschappelijke voorouder zijn ontstaan en sindsdien onafhankelijk verder zijn ontwikkeld. Met een blik in de hersenen van vertegenwoordigers in de twee grote fylogenetische lijnen kunnen we dit toelichten.
 
5. Het brein
 
Onze hersenen bevatten ongeveer honderd miljard neuronen (zenuwcellen), die onze lichaamsfuncties sturen. De studie van alle mogelijke connecties van deze neuronen is onbegonnen werk. De hersenen van Drosophila zijn relatief eenvoudiger en bevatten amper honderdvijftigduizend neuronen. Bovendien is Drosophila een goed gekend genetisch model en werd al een breed gamma aan gedragingen bestudeerd bij deze vlieg. De functie van individuele neuronen kan bestudeerd worden, door het toepassen van een aantal genetische trucjes die gedurende de laatste honderd jaar bij de fruitvlieg zijn ontwikkeld. Met de introductie van groen fluorescerend eiwit of GFP kunnen neuronen gemarkeerd en microscopisch gevisualiseerd worden in het levende organisme. GFP kan hierbij gebruikt worden als verklikkereiwit dat ons zegt of een genetische manipulatie zoals het inbrengen van een vreemd gen of het uitschakelen van een bepaald gen gelukt is.
Het zenuwstelsel van de nematode worm, C. elegans bevat exact 302 neuronen. Deze neuronen staan in verbinding met elkaar en met de rest van het lichaam en sturen fysiologische basisprocessen zoals voortplanting, voedselopname, waterhuishouding, beweging en gedrag. Alle neuronen zijn bij deze worm in kaart gebracht. De moleculen die ervoor zorgen dat neuronen connecties met elkaar maken, zijn nagenoeg identiek bij wormen en mensen. In tegenstelling tot bij de mens zijn de gevormde connecties bij de worm altijd dezelfde, zodat eenvoudig kan worden nagegaan wat er fout loopt bij wormen waar bepaalde connecties niet worden gevormd. Het is zelfs mogelijk om neurodegeneratieve aandoeningen zoals de ziekte van Alzheimer of Parkinson te induceren in het brein van de worm. Onze hersencellen communiceren met elkaar en met andere organen in ons lichaam door chemische boodschappermoleculen af te scheiden zoals neurotransmitters (afgeleide aminozuren) en neuropeptiden (kleine eiwitten). Voorbeelden van neuropeptiden die belangrijke functies vervullen bij de mens en vertebraten in het algemeen zijn ‘substance P’, ‘releasing’ hormonen voor corticotropine en voor gonadotropines, luteïniserend en follikelstimulerend hormoon, gonade-inhiberend hormoon, insuline, oxytocine en vasopressine, kuspeptide, neuropeptide Y, cholecystokinine en gastrine, enzovoort. Deze boodschappermoleculen nemen een belangrijke hiërarchische positie in in de fysiologie van dieren en sturen er de meeste fysiologische processen zoals voortplanting, huidskleur, suiker- en vetmetabolisme, voedselopname en vertering, osmotische balans, beweging en gedrag. Voor elk van boven opgesomde neuropeptiden zijn er gelijkaardige neuropeptiden bij de worm en de fruitvlieg, die ook hier essentiële fysiologische processen sturen (Husson et al., 2007). Hier willen we een aantal van de door de hersenen gestuurde processen onder de loep nemen en de gelijkenissen tussen vliegen en wormen enerzijds en vertebrate dieren, inclusief de mens, anderzijds in het daglicht stellen.
 
5.1 Eetgedrag en metabolisme
 
Momenteel woedt een pandemie van metabolische ziekten (o.a. atherosclerosis, diabetes mellitus, zwaarlijvigheid) die de gemiddelde levensverwachting van de mens voor de eerste maal dreigt te doen dalen in onze huidige (westerse) samenleving. Omwille van de complexiteit van de biologische processen die voedselopname, transport, enzymatische afbraak, en synthese van bouwstoffen reguleren, is het niet evident om de specifieke oorzaken van deze ziekten te vinden, laat staan om er een geschikte behandeling voor te ontwikkelen. Voor alle levende organismen geldt dat een adequaat management van energievoorziening essentieel is. Signaalwegen verantwoordelijk voor het suiker- en vetmetabolisme zijn niet enkel bij de mens maar ook bij wormen en vliegen vertegenwoordigd en lijken sterk geconserveerd te zijn gebleven in de loop van de evolutie. 
Een voorbeeld: cholecystokinine (CCK) en gastrine zijn neuropeptiden die niet enkel in de hersenen maar ook in onze darm voorkomen. Deze neuropeptiden reguleren het transport van voedsel door de darm, door darmcontracties te bevorderen. Ze zorgen er ook voor dat verteringsenzymen worden vrijgegeven, wanneer er voedsel in ons darmkanaal passeert. In de hersenen functioneren ze ook als verzadigingssignaal om zo het hongergevoel en de voedselopname te stoppen. Bij insecten en wormen werden in de hersenen al neuropeptiden geïdentificeerd die zeer sterke structurele overeenkomsten vertonen met het menselijk CCK en gastrine. Ook de overeenkomstige receptoren (dit zijn eiwitten in de membraan van cellen waar neuropeptiden op binden om hun effect te bewerkstelligen) voor menselijk CCK, worm-CCK en insect-CCK zijn zeer gelijkend (Janssen et al., 2008a). Meer dan vijftig procent van de opeenvolgende aminozuren (aminozuren zijn bouwstenen van eiwitten) in de respectievelijke receptoreiwitten zijn identiek of gelijkaardig. Bovendien lijkt ook de functie van deze neuropeptiden bewaard te zijn gebleven tijdens de evolutie. Net als bij de mens beïnvloeden worm-CCK en fruitvlieg-CCK darmspiercontracties en zijn ze betrokken bij de vrijzetting van verteringsenzymen in het darmkanaal en bij de opslag van vetten. Deze effecten werden aangetoond door middel van analyses met mutante stammen, waarbij het gen dat codeert voor het neuropeptide of voor zijn receptor een defect vertoont. Het cholecystokinine signaalsysteem moet bijgevolg al aanwezig en functioneel zijn geweest in de voorouder van de Ecdysozoa en de Chordata. Ecdysozoa omvatten alle dieren die vervellen, zijnde nematode wormen en geleedpotigen, terwijl tot de Chordata alle dieren behoren met een chorda of wervelkolom. 
Kunnen obese wormen ons iets vertellen over de oorzaken van zwaarlijvigheid bij mensen? Waarschijnlijk wel, recente studies hebben bij de worm niet minder dan honderd genen onthuld die er de oorzaak van kunnen zijn dat wormen zwaarlijvig of slank worden. Een groot aantal van deze genen hebben tegenhangers bij de mens (Ashrafi, 2007).
 
5.2 De puberteit en de neuropeptidehormonen betrokken bij de voortplanting
 
De prikkel die de puberteit op gang brengt, is het kusneuropeptide. Dit is een signaalmolecule dat in de hersenen van tien- tot twaalfjarigen een hele cascade van hormonen aan het werk zet die zorgen voor de groeispurt, de ontwikkeling van voortplantingsorganen en het verschijnen van secundaire geslachtskenmerken, zoals baardgroei en borstontwikkeling. Het kuspeptide kreeg zijn naam, omdat deze stof het hele voortplantingssysteem uit zijn (kinder)slaap wekt (Popa et al., 2005). Het volledige arsenaal aan voortplantingshormonen is al van bij de geboorte aanwezig en functioneert zelfs tijdens de eerste paar levensmaanden nog volop, om vervolgens meer naar de achtergrond te verdwijnen en tien tot twaalf jaar later weer in volle actie op te duiken. De receptor die door het kuspeptide geactiveerd wordt, zet de hypothalamus – een klier onderaan in de hersenen gelegen – aan tot afgifte van het gonadotropine-releasing hormoon (GnRH). Dit hormoon, ook een neuropeptide, komt variërend met het dag-nachtritme in golfjes toe bij de nabijgelegen hypofyse die op zijn beurt het luteïniserend hormoon (LH) en het follikelstimulerend hormoon (FSH) in de bloedbaan vrijstelt. Deze gonadotrope hormonen stimuleren op hun beurt dan de testes bij jongens en de eierstokken bij meisjes tot het produceren van de geslachtshormonen, testosteron en oestradiol, die afgegeven worden in de bloedbaan. Met de productie en afgifte van deze geslachtshormonen in de bloedbaan start de puberteit. 
Het gehele systeem dat de synthese en de secretie van geslachtshormonen stuurt, vanaf de hersenen tot de gonaden (geslachtsklieren), noemt men de hypothalamus-hypofyse-gonadale as. Deze as komt bij alle gewervelde dieren voor en reguleert er de voortplanting. Aangezien de principes van seksuele voortplanting (oögenese en spermatogenese, respectievelijk de ontwikkeling van de ei- en zaadcellen) universeel zijn, kunnen we ons afvragen of de regulatie ervan door de hersenen ook goed geconserveerd is bij dieren. Zijn de betrokken neurohormonen al ontstaan vóór de Cambriumexplosie in de geologische tijdschaal en bestonden ze dus vóór de splitsing van de dierenstam in twee fylogenetische (evolutionaire) lijnen, Protostomia (wormen, weekdieren, insecten, enzovoort) en Deuterostomia (stekelhuidigen en chordaten)? Het exacte tijdstip van deze splitsing is niet gekend, maar wellicht is het meer dan zeshonderd miljoen jaar geleden. 
Zowel de bodemnematode (worm) als de fruitvlieg hebben neuropeptiden die sterk gelijken op het kuspeptide (Lindemans et al., 2009). Ook tegenhangers van hormonen van de hypothalamus-hypofyse as, zoals het GnRH-neuropeptide, en de LH/FSH-eiwitten worden gecodeerd in de genomen van de fruitvlieg en de worm. Net als bij vertebraten binden GnRH- en LH/FSH-homologen aan receptoren in het celmembraan zoals een sleutel past op een slot. Deze receptoren brengen het signaal van het hormoon naar het inwendig milieu van de cel. Dat doen ze door aan de binnenkant van de geactiveerde cel te binden aan een specifieke klasse van G-eiwitten. Daarom worden deze receptoren G-eiwit gekoppelde receptoren genoemd. De receptoren voor GnRH, LH/FSH zijn zeer sterk gelijkend bij vliegen, wormen en gewervelde dieren (inclusief de mens). Bovendien zijn er parallellen in de signaalwegen die geactiveerd worden door de respectievelijke receptoren. Recent onderzoek bij de bodemnematode toont aan dat wormen, waarbij het GnRH-neuropeptide of zijn receptor uitgeschakeld wordt, hun eitjes veel later afleggen, op oudere leeftijd dus in vergelijking met wormen met normaal functionerende hormonen. Dit effect is vergelijkbaar met het uitstel van de puberteit bij zoogdieren. Verstoring van de hypothalamus-hypofyse-gonadale as bij de mens uit zich onder andere in het uitblijven van de eerste menstruatie bij meisjes of spermaproductie en baardgroei bij jongens. Wanneer we weten dat de bodemnematode geslachtsrijp is als die drie dagen oud is en een mens wanneer hij/zij ongeveer twaalf jaar is, kunnen we afleiden dat een uitstel van de eileg met twaalf uur bij de worm – in verhouding – enorm is. Op basis van de structurele en functionele gelijkenissen van de spelers in de voortplantingsas, kan men stellen dat er al een equivalent van een hypothalamus-hypofyse-gonadale as aanwezig en vermoedelijk ook al functioneel was in de gemeenschappelijke bilateraal symmetrische voorouder van Ecdysozoa en Vertebraten. 
 
5.3 De biologische klok
 
Een biologische klok is een moleculaire, inwendige klok die het organisme helpt zich voor te bereiden op zich herhalende veranderingen van de omgeving, zodat het efficiënter kan functioneren. Biologische klokken tikken in nagenoeg alle organismen gaande van bacteriën, over planten tot zoogdieren. Wellicht de belangrijkste biologische klok is deze die het ritme waarmee we elke dag functioneren, bepaalt en die onze slaap- en waakactiviteit regelt. Dit ritme is niet alleen afhankelijk van zonlicht, maar zit inwendig ingeprent in onze hersenen. Onze biologische klok heeft een invloed op praktisch alle belangrijke biologische processen, waaronder onze hormoonproductie, lichaamstemperatuur, slaap- en eetbehoefte. Ze houdt ons overdag wakker en zet ons ’s nachts aan tot slapen. Oscillerende moleculen in de hersenen creëren een 24 uursritme. Via verschillende inputwegen kunnen deze moleculen de informatie uit het milieu – als belangrijkste de lichtinformatie – in rekening brengen. Ze dicteren het veranderend ritme aan het lichaam om overeenkomstige gedragingen in gang te zetten (ontwaken, voedselopname, slapen, enzovoort). We vinden de werking van onze biologische klok zo vanzelfsprekend dat we er niet bij stilstaan dat het correct functioneren door tal van moleculen wordt geregeld.
Tal van problemen, ziekten en stoornissen vinden hun oorsprong in een kleine fout op moleculair niveau van onze klok. Denk bijvoorbeeld aan aangeboren slaapstoornissen. In het geval van een jetlag voelen we dan weer de krachtige invloed van onze interne biologische klok als we ons natuurlijk ritme op de proef stellen. De maatschappij evolueert steeds meer naar een non-stop economie waarbij onze interne klok genegeerd wordt, met alle gevolgen vandien. De industrie draait de klok rond, nachtwinkels zijn om de hoek, kranten verschijnen op zondag. Maar mensen zijn evolutionair genetisch niet gekneed om ’s nachts actief te zijn; het is tegen onze natuur. ‘Nu wetenschappers stilaan achterhalen hoe onverzettelijk ons lichaamsritme is, en hoe een uit haar lood geslagen biologische klok toch kan hersteld worden, wordt het tijd dat de maatschappij daar ook ernstig rekening mee gaat houden,’ zo schreef het vakblad Nature zes jaar geleden al. Wetenschappers hebben intensief naar het moleculair werkingsmechanisme van onze biologische klok gezocht en bij dat onderzoek werden de belangrijkste doorbraken bij Drosophila melanogaster gerealiseerd. Fruitvliegen vertonen een activiteitspiek in de vroege ochtend en ook bij zonsondergang. Als de vliegen in constante duisternis worden geplaatst, blijven die twee pieken aanwezig en verschijnen telkens weer ongeveer elke vierentwintig uur. Hiervoor zijn vooral de genen belangrijk die in de hersenen de biologische klok draaiende houden. Twee belangrijke klokgenen bij de fruitvlieg zijn bijvoorbeeld period en clock. Ze worden aan- en uitgeschakeld in een dag-nachtcyclus en genereren een oscillerend systeem, een interne circadiane (lees vierentwintig uren) klok. Vergelijkbare klokgenen komen ook voor bij de mens en vormen er ook de centrale oscillator. Over hoe de biologische klok communiceert met de rest van het lichaam, was tot voor kort niet veel geweten. Recent werd bij Drosophila het gen voor een receptoreiwit ontdekt dat in dit communicatieproces een sleutelpositie inneemt (Mertens et al., 2005). Deze receptor wordt geactiveerd door een signaalmolecule, een neuropeptide in de hersenen, ‘Pigment Dispersing Factor’ (PDF) genoemd. Via PDF dicteert de klok gedrag van de vliegjes. Als het PDF-receptorgen of zijn activerend hersenpeptide met genetische technieken worden uitgeschakeld, leidt dat tot een verstoord ritmisch gedrag, een uit het lood geslagen klok bij vliegen dus. Het ontdekte receptormolecule wordt in bijna alle delen van de hersenen teruggevonden, maar vooral in die delen die in de buurt liggen van de centrale oscillator. Heel belangrijk voor toekomstig onderzoek is dat de receptor een treffende gelijkenis vertoont met een menselijk receptoreiwit. Bovendien zijn muizen met een dergelijke defecte receptor niet in staat om een normaal circadiaan ritme te onderhouden. Het PDF-signaalsysteem werd onlangs ook in de hersenen van de worm aangetoond en bij wormen met defecte PDF-genen functioneert de klok niet meer naar behoren (Janssen et al., 2008a). Dit wijst op frappante gelijkenissen tussen het moleculair mechanisme van de klok bij de mens, de fruitvlieg en de worm.
 
5.4 Slaap
 
Slapen is inherent aan leven; idealiter spendeert de mens een derde van zijn leven aan slapen. Onvoldoende slaap is echter een toenemend probleem in de westerse samenleving. Dit kan o.a. gereduceerde productiviteit op het werk en een verminderde levenskwaliteit tot gevolg hebben. Ook fruitvliegen vertonen perioden van inactiviteit, vergelijkbaar met slaap. Gedurende de slaapperioden is er een sterkere impuls nodig om hen te prikkelen. Deze perioden van inactiviteit vallen samen met de nacht. 
Fruitvliegen slapen ongeveer zes tot twaalf uur per nacht, hebben soms ook moeilijkheden met ontwaken en cafeïne houdt hen ’s nachts wakker. Klinkt dat bekend in de oren? Onderzoekers hebben aangetoond dat slaapgedrag bij fruitvliegen en mensen opmerkelijke gelijkenissen vertoont. Bij de fruitvlieg wordt slaap gereguleerd door een set van klokgenen die zeer gelijkend zijn aan bepaalde menselijke genen. Mutaties in deze klokgenen kunnen tot slaapstoornissen leiden. Net zoals bij mensen is slaap bij vliegen geassocieerd met veranderingen in de activiteit van de hersenen, waarbij de expressie van honderden genen verandert. Slaap staat zowel bij vliegen als bij mensen onder invloed van een circadiane (zie hoger) en een homeostatische regulatie. De circadiane regulatie zorgt voor de correcte timing van het slaap- en waakritme; ze zorgt ervoor dat deze dieren ’s nachts slapen en overdag wakker blijven. Het homeostatisch systeem regelt de nood aan slaap en is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het feit dat hoe langer de waakperiode duurt, hoe langer en intenser de hierop volgende slaapperiode zal zijn. De slaapduur stijgt na slaapdeprivatie. Zowel vliegen als mensen slapen ook dieper in na een periode met slaaptekort en de slaap is minder gefragmenteerd, dat wil zeggen, het aantal kortstondige waakmomenten tijdens de nacht is veel kleiner. Net als mensen vertonen fruitvliegen na een slaaptekort een verminderde alertheid en presteren ze minder goed bij het uitvoeren van taken. Een andere belangrijke gelijkenis is dat bij het ouder worden, de slaap meer onderbroken wordt door kortstondige waakmomenten.
De fruitvlieg is bijgevolg een uiterst interessant model voor de genetische dissectie van slaapmechanismen. Na toediening van een mutageen werden 3500 vliegen belet om te slapen en mutante vliegen die in staat waren te overleven bij deze slaapdeprivatie, werden verder onderzocht. De wakkere mutanten hebben een mutatie in het sleepless gen, dat codeert voor een eiwit dat tussenkomt bij het openen en sluiten van kaliumkanalen in de hersenen (Koh et al., 2008). Indien deze ionkanalen open zijn, zijn de hersenen actiever en is de vlieg wakker. Bij het sluiten van de kanalen, slaapt de vlieg. Het gebrek aan slaap is niet zonder gevolg. De mutante sleepless fruitvliegen leven maar half zo lang als vliegen die de mutatie niet hebben. Daarnaast zijn ze ook zeer onrustig tijdens hun weinig aantal uren slaap. Wetenschappers hopen nu een equivalent van het sleepless gen in het menselijk genoom te vinden.
Ook C. elegans vertoont een gedrag dat lijkt op slapen (Raizen et al., 2008). De verschillende perioden van inactiviteit worden lethargus genoemd en vallen samen met de vervellingsperioden. Deze perioden hebben eigenschappen die karakteristiek zijn voor slaapgedrag. Zo zijn wormen gedurende deze slaapperioden minder gevoelig voor prikkels en na slaapdeprivatie is de volgende lethargusperiode langer en intenser. 

5.5 Leergedrag
 
De capaciteit om te leren vereist dat een organisme de nodige fysiologische adaptaties heeft ondergaan tijdens de evolutie, die het organisme in staat stellen te leren. Deze adaptaties moeten voldoen aan een aantal gesofisticeerde eigenschappen. Leren vereist veel energieverbruik in de hersenen; het is dan ook onwaarschijnlijk dat een organisme de leercapaciteit zou ontwikkeld hebben in de loop van de evolutie indien de energiekost voor leren niet gepaard zou zijn gegaan met een belangrijk voordeel. 
Vele dieren kunnen bijvoorbeeld leren dat een stimulus kan gepaard gaan met een signaal, wat bekend staat als conditionering. Net als Pavlov’s hond, die belgerinkel kon associëren met eten, kunnen fruitvliegen leren om aangename prikkels op te zoeken en onaangename signalen (slechte geuren, te hoge en te lage temperaturen, elektrische schokken enzovoort) te vermijden. Hun geurontwijkingsgedrag, dat niet van meet af aan aanwezig is, duidt aan dat vliegen kunnen leren. Vliegen zullen zich gedurende een bepaalde tijd ook kunnen herinneren wat ze hebben geleerd, tenminste als het hersencircuit betrokken bij leergedrag goed functioneert. 
Onderzoek heeft aangetoond dat dit leergedrag een genetische basis heeft. Fruitvliegmutanten waarin bepaalde genen (amnesiac en dunce) uitgeschakeld worden, kunnen niet meer leren of zich herinneren om bepaalde geuren te vermijden. Deze mutante vliegen zullen bepaalde aangename prikkels (aangename geuren, voedsel) blijven opzoeken, ook al krijgen ze hierbij telkens een elektrische schok toegediend. Verder kunnen fruitvliegen die niet beschikken over de receptor voor gamma-aminoboterzuur (GABA), een remmend signaalmolecule in de hersenen, beter leren. Wanneer de hersenen genetisch worden gemanipuleerd zodat er veel meer receptoren voor GABA worden gemaakt in de vliegenhersenen, vertonen de vliegen leerdefecten. De GABA-receptor komt voor in een specifiek gebied in de hersenen van de fruitvlieg, dat equivalent is aan de hippocampus, een onderdeel van de hersenen bij zoogdieren. Bij normaal leergedrag wordt de inhibitie van de remmende neurotransmitter GABA opgeheven. 
Door een beroep te doen op een temperatuurgevoelige genetische switch kunnen fruitvliegen gekweekt worden waarbij de hoeveelheid GABA-receptor enkel toeneemt bij een stijging van de temperatuur. In recent onderzoek werd deze techniek toegepast (Liu et al., 2007). Vliegen werden gekweekt in een koele omgeving, waarbij hun leergedrag normaal was. Vliegen die vervolgens overgebracht werden naar een omgeving met hogere temperatuur leerden minder goed. Bij het verlagen van de temperatuur werd het leergedrag weer hersteld. Hierbij werd aangetoond dat GABA enkel een invloed heeft op het verwerven en opstapelen van herinneringen (het leren zelf), maar niet op de stabiliteit van het geheugen. Vliegen met een teveel aan GABA-receptor kunnen evengoed onthouden als normale vliegen. 
Onthouden vereist ook dat neuronen hun verbindingen met bepaalde naburige neuronen versterken, maar daarom niet hun verbindingen met andere neuronen. De ruimte tussen de connecties van twee neuronen wordt een synaps genoemd. Langs een synaps wordt er informatie van het ene neuron naar het andere neuron overgebracht. Plasticiteit is het geheel aan veranderingen in de sterkte van synaptische connecties en speelt een belangrijke rol in geheugenvorming en leren. Voor de vorming van het geheugen bij de fruitvlieg is het pumiliogen belangrijk; een equivalent van dit gen komt voor bij de mens. Het pumiliogen werkt samen met andere genen tijdens de ontwikkeling van het vliegenembryo en heeft een invloed op de hoeveelheden van andere eiwitten die tijdens de embryo-ontwikkeling worden gemaakt. Voor de vorming van het geheugen werken pumilio en andere ontwikkelingsgenen vermoedelijk op een gelijkaardige manier als voor de vorming van het embryo. In recent onderzoek werden vliegen genetisch gemanipuleerd, zodat grote hoeveelheden van het pumilio-eiwit werden aangemaakt in de zogenaamde paddenstoellichamen, een gebied in de vliegenhersenen dat verantwoordelijk is voor geheugenopslag. Hieruit bleek dat pumilio een effect heeft op concentraties van andere eiwitten in de hersenen en op die manier een invloed uitoefent op de vorming en versterking van synapsen (Chen et al., 2008).
Wakker blijven vertraagt de werking van onze hersenen. Mentale prestatie piekt na een goede nachtrust, maar vermindert onvermijdelijk tijdens de dag, en slaapdeprivatie maakt dit alleen maar erger. Slaapdeprivatie heeft een negatief effect op leergedrag bij vliegen. Vliegen die te weinig hebben geslapen, leren veel minder goed of kunnen helemaal niet leren om vervelende stimuli te vermijden. Eén van de moleculen die hierbij een belangrijke rol spelen, is dopamine. Dopamine is een neurotransmitter – een signaalmolecule – dat bij mensen vooral voorkomt in de hippocampus, een onderdeel van de hersenen dat betrokken is bij leren en geheugen. Onderzoekers hebben onderzocht of dopamine betrokken is bij de verminderde mentale capaciteit bij slaapgedepriveerde vliegen. Hiertoe werden vliegen genetisch gemanipuleerd, waardoor ze meer receptoreiwitten voor dopamine aanmaakten in de paddenstoellichamen – het equivalent van de hippocampus van de mens. Uit dit onderzoek bleek dat slaapgedepriveerde vliegen met extra dopaminereceptoren evengoed in staat zijn te leren als normale vliegen. Het tekort aan slaap was dus niet merkbaar bij deze vliegen. 
Onderzoekers hebben niet alleen ontdekt dat mensen en vliegen gemeenschappelijke hersencircuits hebben die aan de basis liggen van leergedrag, maar ook dat de nematode worm C. elegans met amper enkele honderden zenuwcellen kan leren. Experimenten hebben aangetoond dat wormen bacteriën van hoge kwaliteit kunnen onderscheiden van deze van mindere kwaliteit of van toxische bacteriën. Een toename in de vrijgave van de hersenneurotransmitter serotonine bepaalt of de worm verkiest te eten of het eten zal laten voor wat het is. C. elegans kan ook geconditioneerd worden om bepaalde prikkels (geuren, smaken, temperatuur en zuurstofhoeveelheid) te associëren met de aanwezigheid van voedsel. Wormen die bijvoorbeeld gevoerd worden bij een bepaalde temperatuur zullen daarna in een nieuwe omgeving dat gebied gaan opzoeken dat overeenkomt met deze temperatuur. Om dit te doen beschikt C. elegans over een zeer sterk ontwikkeld chemosensorisch systeem. Dankzij dit systeem kan de worm een grote waaier aan vluchtige en wateroplosbare chemische signalen detecteren, die hij kan associëren met voedsel, gevaar, andere organismen enzovoort. Een groot deel van het zenuwstelsel en minstens vijf procent van de wormgenen dienen om omgevingssignalen te herkennen. Deze signalen kunnen niet enkel een chemotactisch of een vermijdingsgedrag uitlokken, maar ook het al dan niet overgaan in een larvaal ruststadium, gekenmerkt door een laag metabolisme en een lange levensduur. De sensorische zenuwcellen bij C. elegans bevatten een duizendtal G-proteïne gekoppelde receptoren, die chemische signalen kunnen detecteren. C. elegans lijkt dus beter uitgerust dan de mens voor de detectie van chemische signalen (de mens heeft amper achthonderd G-proteïne gekoppelde receptoren). De worm kan zijn voorkeur voor chemische signalen aanpassen via associatief leren, waarbij zijn gedrag afhankelijk wordt van omgeving en ervaring. Leergedrag kan bij C.elegans bestudeerd worden door gebruik te maken van microfluïdics technologie waarbij een minuscuul mazendoolhof wordt gemaakt dat sensoren bevat die de beweging van de wormen registreren. Met deze nieuwe technologie werd aangetoond dat dopaminedeficiënte wormen veel minder goed kunnen leren (Bargman et al. 2007). De ontrafeling van de mechanismen van geheugen en leergedrag in een eenvoudig zenuwstelsel dat amper uit 302 neuronen bestaat, biedt perspectieven om deze mechanismen te begrijpen in meer complexe neuronale systemen. Indien succesvol, kan deze kennis toegepast worden in onderzoek naar aandoeningen die gepaard gaan met geheugenverlies of leermoeilijkheden bij de mens. 

5.5 Verslaving
 
Alcohol- en drugverslaving treft miljoenen mensen en dit motiveert wetenschappers om te onderzoeken waarom en hoe bepaalde stoffen verslavend werken. Wormen en vliegen zijn goede modelsystemen in dit onderzoek, omdat ze op een gelijkaardige manier reageren op verslavende middelen als de mens. Wormen die nicotine krijgen toegediend, reageren zoals (menselijke) rokers. Hun bewegingen nemen toe, ze ontwikkelen gewenning en vertonen ontwenningsverschijnselen als hun nicotine wordt onthouden. Ook de receptormoleculen voor nicotine zijn gelijkaardig bij wormen en mensen. Vliegen die te veel alcohol op hebben worden dronken, slaperig, krijgen evenwichtsproblemen en kunnen minder goed leren. Bij frequent gebruik van alcohol treden gewenningsverschijnselen op, waarbij vliegen tolerantie vertonen bij stijgende dosissen. Drugs zoals cocaïne veroorzaken bewegingsstoornissen, tremor en sterfte bij vliegen. De reden waarom mensen en vliegen op gelijkaardige manier reageren op drugs en alcohol is te vinden in het gebruik van dezelfde of gelijkaardige moleculen om de drugs te metaboliseren.
Bij de fruitvlieg zijn een aantal genen geïdentificeerd die een rol spelen in de gevoeligheid voor alcoholverslaving. Onderzoekers hebben kruisingen uitgevoerd in vliegenpopulaties gedurende vijfentwintig generaties aan één stuk om twee groepen van vliegen te genereren: een groep die zeer gevoelig was voor alcohol en snel tekenen vertoont van alcoholverslaving en een groep die zeer resistent was tegen alcoholmisbruik. Vervolgens onderzochten ze welke genen uit het fruitvlieggenoom aangeklikt worden bij alcoholgebruik, en dit bij de twee groepen. Met een microroosteranalyse is dit mogelijk en kunnen alle genen in parallel bestudeerd worden. Op deze manier konden alcoholgevoelige genen ontdekt worden. In experimenten met vliegen waarbij de kandidaat alcoholgevoelige genen worden gemuteerd, kan nagegaan worden of de alcoholgevoeligheid wijzigt (Morozova et al., 2007). Deze fruitvlieggenen hebben equivalente genen (orthologen) bij de mens. 
Al deze bevindingen zullen dus nuttig zijn om de genetische basis van alcohol- en drugverslaving bij mensen te ontrafelen. Onderzoekers kunnen de effecten veroorzaakt door deze verslavende middelen bij vliegen en wormen bestuderen op cellulair niveau. Bij wormen kunnen tevens testen op grote schaal uitgevoerd worden (zogenaamde hogedoorvoerscreenings) om te zoeken naar nieuwe geneesmiddelen die verslaving tegengaan.
 
5.6 Veel gedragingen zijn genetisch bepaald
 
Uit al het voorgaande blijkt dat het gedrag van fruitvliegen rechttoe rechtaan is, voorspelbaar is en gereguleerd wordt door specifieke sets van genen. Tot op heden werden vliegen beschouwd als input/outputsystemen die een voorspelbaar antwoord geven op een specifieke stimulus en niet beïnvloed worden door input zoals emotie en ervaring – die bij de mens wel een grote rol spelen bij het nemen van beslissingen (gedrag). Hoewel, het lijkt erop dat het gedrag bij vliegen meer gesofisticeerd is dan oorspronkelijk werd gedacht. Recent onderzoek heeft aangetoond dat vliegen niet altijd op dezelfde manier op een stimulus reageren. Dit betekent dat de vliegenhersenen meer zijn dan een input/outputcircuit. Vliegen zouden op bepaalde prikkels nieuw en onvoorspelbaar gedrag vertonen, wat zou betekenen dat ze een typisch menselijke eigenschap zouden vertonen, namelijk een vrije wil. Toekomstig onderzoek zal hierin duidelijkheid moeten scheppen.
Het uitgangspunt van evolutionaire psychologie is dat het menselijk brein een product is van evolutie. Net zoals onze handen en voeten geëvolueerd zijn om bepaalde uitdagingen aan te kunnen gaan, geldt dit ook voor onze hersenen. Volgens evolutiebiologen is de functie van de hersenen onder meer het herkennen van situaties die relevant zijn voor ons reproductief succes (de kans dat onze genen zich verspreiden), om hier vervolgens gepast op te reageren. Dit gaat niet alleen over het vinden van de juiste partner en het beschermen van je kinderen; in elk aspect van het leven maken we keuzes die in mindere of meerdere mate een effect hebben op reproductief succes. Op individueel niveau (en zeker in ons moderne leven) kunnen die effecten vaak moeilijk zichtbaar zijn, maar over de miljoenen jaren waarin evolutie werkt hebben ze wel de werking van het brein gevormd. 
In de hersenen van mannen en vrouwen bijvoorbeeld zijn verschillende genen actief. Er zijn dus mannelijke hersenen en vrouwelijke hersenen, wat typisch mannelijk of vrouwelijk gedrag kan bepalen. Dit seksueel dimorfisme ter hoogte van de hersenen vinden we ook terug bij wormen en fruitvliegen. In de loop van evolutie kunnen dieren hun gedrag wijzigen om zich aan hun omgeving aan te passen. Hoe kunnen genetische veranderingen nu leiden tot een wijziging in neuronale activiteit en hierbij het gedrag beïnvloeden? Het zenuwstelsel van C. elegans met zijn 302 neuronen, waarvan de connecties grotendeels in kaart zijn gebracht, is uitermate geschikt voor de studie van neuronale circuits die gedrag bepalen. Bij de worm werd aangetoond dat een gedragswijziging heel snel kan gebeuren, omdat de overeenkomstige genetische wijziging niet groot hoeft te zijn. De wijziging van één aminozuur in een receptorproteïne van 467 aminozuren resulteert in een substantiële verandering in eetgedrag. De laboratoriumstam vertoont solitair gedrag, waarbij individuele wormen zich verspreiden over heel de plaat op zoek naar bacteriën, hun voedsel. Er bestaat echter een natuurlijk voorkomende stam van C. elegans, waarbij de wormen zich niet verspreiden maar zich concentreren daar waar het meeste voedsel aanwezig is. De ‘sociale’ eters verschillen van de individualisten in slechts één enkel aminozuur in een receptor die voorkomt in de hersenen (de Bono and Bargmann 1998). Deze receptor vertoont gelijkenissen met de menselijke neuropeptide Y-receptor. Solitaire wormen hebben een valine op positie 215 van de receptor en sociale wormen hebben een fenylalanine op deze positie. Genetisch is de solitaire vorm (met valine) de dominante vorm, dat wil zeggen, als de worm beide vormen van het receptorgen bevat, dan zal de vorm met valine zijn instructies doordrukken, waarbij solitair gedrag wordt gedicteerd. De zoektocht naar het ligand voor deze receptor die bepalend is voor solitair of sociaal eetgedrag, leidde naar een klein neuropeptide in de hersenen, dat behoort tot een familie van verwante neuropeptiden waartoe ook het kuspeptide van zoogdieren behoort. Eén enkel aminozuur kan bepalen of de receptor al dan niet geactiveerd wordt door zijn neuropeptide, met een totaal verschillend gedrag tot gevolg. Wanneer bij solitaire wormen de receptor wordt uitgeschakeld via een nulmutatie, dan vertonen deze wormen sociaal eetgedrag. Hetzelfde gedrag kan ook opgewekt worden door één aminozuur op positie 215 te wijzigen. Eén kleine verandering in één gen, en het samenspel tussen genen kan helemaal anders zijn.
 
6. De fruitvlieg als model voor menselijke ziekten 
 
De vaststelling dat onze genetische kit gelijkend is aan deze van andere organismen, heeft belangrijke gevolgen. Databanken met informatie over ons erfelijk materiaal zijn publiek beschikbaar, zodat we kunnen inloggen op het internet en nagaan of een bepaald menselijk gen (dat bijvoorbeeld aan de basis ligt van een ziekte) al gekend is bij andere organismen en wat erover geweten is. Gegevens uit kleine modelorganismen zijn uiterst geschikt om gelijkaardige biologische processen bij de mens te analyseren. Zolang de genetische technologieën meer geavanceerd zijn bij modelorganismen, zoals de fruitvlieg en de vrijgevende bodemnematode worm, bieden deze organismen belangrijke voordelen om de functies van sterk geconserveerde genen te bestuderen. We hebben hier maar enkele voorbeelden gegeven en ons beperkt tot de hersenen, maar we mogen niet vergeten dat onderzoek bij fruitvliegen en wormen al heeft bijgedragen tot de opheldering van tal van andere biologische processen zoals patroonvorming tijdens embryologische ontwikkeling, apoptose, geslachtsdeterminatie, overerving van geslachtsgebonden kenmerken, veroudering, enzovoort. Drosophila heeft in de embryologie een sterrenstatus verworven. Hoewel insecten en mensen op het eerste zicht totaal verschillend lijken wat hun lichaamsbouw betreft, bestaan er fundamentele overeenkomsten in de wijze waarop beide lichaamspatronen zich ontwikkelen. Dit komt omdat de genen die coderen voor deze patronen dezelfde zijn in nagenoeg alle dieren. Voor de constructie van het lichaamspatroon en de vorming van specifieke organen zijn dieren afhankelijk van ontwikkelingsgenen die zeer goed geconserveerd zijn. De overeenkomsten zijn onverwacht hoog, niet enkel structureel maar ook functioneel. Deze klassen van genen, de Hox-genen, bepalen de voorkant en de achterkant van een organisme en zijn rug- en buikzijde. Zij zorgen ervoor dat hoofd en ledematen op de juiste plaats en op het juiste moment ontwikkelen. De Hox-genen geven aan de cellen dus informatie over hun positie in het lichaam. 
De fruitvlieg is ook een onderzoeksmodel voor menselijke ziekten. Tachtig procent van de genen die bij mutatie een ziekte veroorzaken bij de mens hebben een equivalent bij de fruitvlieg of de worm. Homophila (http://superfly.ucsd.edu/homophila) is de databank van de overeenkomstige ziektegenen bij de fruitvlieg. De fruitvlieg kan daarom dienen als krachtig onderzoeksinstrument om humane ziektegenen te bestuderen. Een voorbeeld: een bepaald gemuteerd gen bij de mens veroorzaakt gedilateerde cardiomyopathie. Deze pathologische conditie leidt vaak tot een hartaanval en een vergrote hartspier, die het bloed niet meer efficiënt kan wegpompen. Het gemuteerd menselijk gen werd ingebracht in het genoom van de vlieg en met recente microscopische videotechnieken kon aangetoond worden dat deze ‘transgene’ vliegen gelijkaardige afwijkingen vertonen aan hun hart (Wolf et al., 2006). Indien humane kandidaat ziektegenen dezelfde fysiologische effecten kunnen teweegbrengen bij vliegen en bij mensen, dan kunnen onderzoekers vliegen (en ook wormen) gebruiken om verzamelingen van stoffen (potentiële geneesmiddelen) te testen in levende modellen. Als een medicijn of gentherapie werkt bij insecten of wormen waar het ziektegen werd ingebracht, dan is dit een eerste indicatie dat het ook bij mensen zou kunnen werken. 
Een tweede voorbeeld. Elk jaar worden een miljoen Europeanen geconfronteerd met hersenbeschadiging of schade aan het ruggenmerg. Omdat zenuwcellen of zenuwuitlopers vertrekkende vanuit de hersenen of het ruggenmerg niet of niet volledig kunnen herstellen, blijven patiënten na een hersenbeschadiging (gedeeltelijk) verlamd. Recent hebben onderzoekers een techniek geperfectioneerd om hersenen van de fruitvlieg in kweek te houden gedurende een bepaalde periode (Ayaz et al., 2008). Met behulp van microdissectie kunnen wetenschappers hersenbeschadiging zeer gericht induceren in de fruitvlieghersenen en gedurende enkele dagen opvolgen wat er gebeurt. Net als bij de mens is beschadiging van zenuwcellen en hun uitlopers ook bij vliegen onherroepelijk. Tot voor kort konden enkel vertebraat modelsystemen (zoals de muis) gebruikt worden om beschadigingen aan het zenuwstelsel te bestuderen en hierbij werd onderzocht hoe beschadigde zenuwuitlopers kunnen regenereren. Het fruitvliegmodel is meer gebruiksvriendelijk, omdat genetische analyses sneller en op grote schaal kunnen uitgevoerd worden. In een volgende stap kunnen onderzoekers nu bestuderen welke moleculaire processen regeneratie van zenuwuitlopers kunnen bewerkstelligen. Zo werd al aangetoond dat de activiteit van een bepaalde signaalweg de groei van zenuwuitlopers kan stimuleren. Hierbij werd ook gevonden dat de zich herstellende zenuwuitlopers in de juiste richting (naar de hersenen toe) terug aangroeien. Dit fruitvliegmodel kan nu gebruikt worden om naar nieuwe moleculen te zoeken die herstel van beschadigde zenuwceluitlopers kunnen bevorderen. 
 
 

7. Niet-coderend DNA en biologische complexiteit? 

 
Omdat fruitvliegen, nematode wormen en mensen een gelijkaardig aantal proteïnecoderende genen hebben, waarvan zestig tot zeventig procent gelijkenissen vertoont, denken sommige onderzoekers dat de verschillen moeten gezocht worden in het niet-coderend DNA, vroeger ook wel eens junk-DNA genoemd. Amper 1% tot 2% van het menselijk genoom bestaat uit DNA dat effectief voor functionele proteïnen codeert. Waarvoor dient de overige 98%-99% DNA dan? Bevat dit DNA informatie die we nog niet kunnen lezen? We weten het niet. De opheldering van de functie van het niet-coderend DNA zal een van meest belangrijke onderzoeksobjectieven zijn binnen de ‘genomics’ disciplines van de volgende generaties. Een klein deel van niet-coderend DNA is betrokken bij celdeling, een ander deel heeft ongetwijfeld een regulatorische functie. Een groot deel is evolutionair bewaard gebleven, wat veronderstelt dat het een functie heeft. 
Onderzoek bij fruitvliegen duidt aan dat het zogenaamde junk-DNA wel eens het middel voor een genoom zou kunnen zijn om nieuwe genen te creëren. Het bestaat merendeels uit springende elementen (transposable elements), die gecoöpteerd worden door het gastheergenoom en die genomische variatie creëren. Zo werd bij vliegen een nieuw gen ontdekt dat niet in het minst gelijkt op een ander gen opgeslagen in de EMBL-databank van genen. Dit gen zou samengesteld zijn uit stukjes niet-coderend DNA samengevoegd door middel van knip- en plakwerk van springende elementen. Deze elementen, die ook bij de mens massaal voorkomen, zouden uit het genoom stukken knippen en samenvoegen tot functionele genen voor de toekomst. Het humaan genoom bestaat uit meer dan drie miljard basenparen, maar er zijn maar twintigduizend tot vijfentwintigduizend genen. Volgens Dawkins zijn onze lichamen slechts vehikels voor springende elementen en voor een mengsel van genen van verschillende oorsprong, oud en recent, die er voor altijd zullen zijn, en voortleven in onze nakomelingen en hun nakomelingen.
Sommigen wetenschappers zoeken naar verbanden tussen het niet-coderend DNA en de verschillen in biologische complexiteit (mens ten opzichte van andere dieren, planten). Het niet-coderend DNA-gedeelte in het genoom van de mens is inderdaad veel groter dan dat bij Drosophila en C. elegans en niet-coderend DNA lijkt meer tolerant voor substituties en deleties, genomische variatie dus. Wat complexiteit betreft wordt echter vaak vergeten dat het genoom van de ui en dat van de sprinkhaan vijfmaal zoveel niet-coderend DNA bevatten als dat van de mens. Zelfs het genoom van de eencellige amoebe is gigantisch groot.
 
Conclusie
 
De gelijkenissen tussen de fysiologische principes bij vliegen, wormen en mensen zijn te verklaren door hun gemeenschappelijke voorouder, wellicht een acoele (zonder lichaamsholte) platworm, die al zeer goed geconcipieerd was en waarbij de hier besproken systemen al zeer goed ontwikkeld waren. Onderzoek met modelorganismen zal veel bijdragen tot de juiste interpretatie van het DNA, over de functie van proteïnecoderende genen, in welk biologisch proces ze tussenkomen en waar en wanneer ze worden aangezet. In de toekomst zal het daarom mogelijk zijn om functies van genen te voorspellen. Nu al voorspellen softwareprogramma’s functies van de dagelijks nieuw gegenereerde sequenties van genen van organismen waarvan het genoom op dit moment wordt bepaald. Dit proces wordt annoteren genoemd. Al deze gegevens worden opgeslagen in databanken. Over enkele jaren verwachten we dat studenten net zo vertrouwd zullen zijn met geannoteerde versies van het menselijke genoom als met het periodieke systeem van de chemische elementen. Indien we binnen afzienbare tijd niet enkel ons DNA en dat van vele andere levende organismen zullen kunnen lezen, maar ook juist kunnen interpreteren, zullen we ook op termijn misschien evolutie kunnen voorspellen. Geschiedenis herhaalt zich immers. 
Creationisten die maar blijven wijzen op zogenaamde gaten in het fossielenonderzoek hebben met de genoomprojecten hun strijd verloren. Zelfs zonder het spoor van één enkel fossiel levert het DNA van huidig levende organismen het ultieme bewijs voor evolutie. Belangrijke wetenschappelijke innovaties zijn in ontwikkeling of zullen ontwikkeld worden in de nabije toekomst. Zoals meestal zullen deze ontwikkelingen gepaard gaan met moeilijke sociale en ethische vragen. Uiteindelijk zijn alle organismen familie van elkaar en zijn alle dieren specifieke variaties op eenzelfde thema. De Loof stelt in zijn boek What is life dat dieren, inclusief de mens, bestaan uit opgevouwen cellagen van gemodificeerde bacteriën, die op hun beurt afstammen van een oerbacterie. Deze oerbacterie zou volgens Gold voor zijn energievoorziening onafhankelijk geweest zijn van zonlicht en zou niet in zee zijn ontstaan maar in hete donkere diepten onder de grond, misschien wel in gesteenten. Maar dat is een ander verhaal. 
 
 
Bibliografie
 
1. K. Ashrafi, Obesity and the regulation of fat metabolism. WormBook, 2007, 9:1-20. Review.
2. D. Ayaz, M. Leyssen, M. Koch, J. Yan, M. Srahna, V. Sheeba, K.J. Fogle, T.C. Holmes, B.A. Hassan, Axonal injury and regeneration in the adult brain of Drosophila. Journal of Neuroscience, 2008, 28:6010-21.
3. N. Chronis, M. Zimmer, C.I. Bargmann, Microfluidics for in vivo imaging of neuronal and behavioral activity in Caenorhabditis elegans. Nature Methods, 2007, 4:727-31. 
4. G. Chen, W. Li, Q-S. Zhang, M. Regulski, N. Sinha, J. Barditch, T. Tully, A.R. Krainer, M.Q. Zhang, J. Dubnau. Identification of Synaptic Targets of Drosophila Pumilio. PLoS Computational Biology, 2008, 4(2):e1000026.
5. M. de Bono, C.I. Bargmann, Natural variation in a neuropeptide Y receptor homolog modifies social behavior and food response in C. elegans. Cell, 1998, 94, 679-689.
6.R. Dawkins, Het verhaal van onze voorouders. Een pelgrimstocht naar de oorsprong van het leven, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2007.
7.A. De Loof , Communication Life Mega-Evolution, Decrypting Life’s nature, Leuven University Press, 2002.
8.  M.E. Graham, M.R. Edwards, L. Holden-Dye, A. Morgan , R.D. Burgoyne, J.W. Barclay, UNC-18 Modulates Ethanol Sensitivity in Caenorhabditis elegans. Molecular Biology of the Cell, 2008, in press. 
9. S.J. Husson, I. Mertens, T. Janssen, M. Lindemans, L. Schoofs, Neuropeptidergic signaling in the nematode Caenorhabditis elegans. Progress in Neurobiology, 2007, 82:33-55. 
10. T. Janssen, S.J. Husson, M. Lindemans, I. Mertens, S. Rademakers, F. Verdonck, J. Geysen, G. Jansen, L. Schoofs, Functional characterization of three G protein-coupled receptors for pigment dispersing factors in Caenorhabditis elegans. Journal of Biological Chemistry, 2008, 283:15241-15249. 
11. T. Janssen, E. Meelkop, M. Lindemans, K. Verstraelen, S.J. Husson, L. Temmerman, R.J. Nachman, L. Schoofs, Discovery of a cholecystokinin-gastrin-like signaling system in nematodes. Endocrinology, 2008, 149:2826-2839. 
12. K. Koh, W.J. Joiner, M.N. Wu, Z. Yue, C.J. Smith, A. Sehgal, Identification of SLEEPLESS, a sleep-promoting factor. Science, 2008, 321:372-6.
13. T. B. Kornberg, M.A. Krasnow, The Drosophila genome sequence: implications for biology and medicine. Science, 2000, 287:2218-20.
14. M. Lindemans, F. Liu, T. Janssen, S. Husson, I. Mertens, G. Gäde, L. Schoofs, Adipokinetic hormone signaling through the gonadotropin-releasing hormone receptor modulates egg-laying in Caenorhabditis elegans. Proceedings National Academy of Sciences, in press. 
15. X. Liu, W.C. Krause, R.L. Davis, GABA A receptor RDL inhibits Drosophila olfactory associative learning. Neuron, 2007, 56:1090-1102.
16. I. Mertens, A. Vandingenen, E.C. Johnson, O.T. Shafer, W. Li, J.S. Trigg, A. De Loof, L. Schoofs, P.H. Taghert, PDF receptor signaling in Drosophila contributes to both circadian and geotactic behaviors. Neuron, 2005, 48:213-9.
17. T.V. Morozova, R.R. Anholt, T.F. Mackay, Phenotypic and transcriptional response to selection for alcohol sensitivity in Drosophila melanogaster. Genome Biology, 2007,8:R231.
18. S.M. Popa, D.K. Clifton, R.A. Steiner, A KiSS to remember. Trends in Endocrinology and Metabolism, 2005,16:249-250. 
19. D.M. Raizen, J.E. Zimmerman, M.H. Maycock, U.D. Ta, Y.J. You, M.V. Sundaram, A.I. Pack, Lethargus is a Caenorhabditis elegans sleep-like state. Nature, 2008,451:569-572. 
20. M.J. Wolf, H. Amrein, J.A. Izatt, M.A. Choma, M.C. Reedy, H.A. Rockman, Drosophila as a model for the identification of genes causing adult human heart disease. Proceedings National Academy Sciences U S A, 2006, 103:1394-1399. 

Maandag 14 januari 2013

Prof. Ilse Samoy KULeuven, UHasselt.      'Met een vergrootglas naar de kleine lettertjes kijken of de juridische bescherming van de consument'. 

Prof. Ilse Samoy tijdens haar lezing. Prof. Ilse Samoy tijdens de voorbereiding op de gestelde vragen van onze UDL-leden. Prof. Ilse Samoy tijdens de voorbereiding op de gestelde vragen van onze UDL-leden. Prof. Ilse Samoy tijdens de antwoorden op de gestelde vragen van onze UDL-leden. Prof. Ilse Samoy tijdens de antwoorden op de gestelde vragen van onze UDL-leden.

  Met het vergrootglas naar de kleine lettertjes kijken.

Welke juridische bescherming geniet een consument die een contract sluit met algemene voorwaarden?
 
Prof. dr. Ilse Samoy
Instituut voor Verbintenissenrecht KULeuven, UHasselt Ilse.samoy@law.KULeuven.be
 
Bronnen
 
G.L. BALLON m.m.v. S. VERVERKEN, De wet marktpraktijken. Een eerste commentaar, Mechelen, Kluwer, 2011, 698 p.
P. CAMBIE, Onrechtmatige bedingen, Gent, De Boeck, 2009, 478 p.
I.  SAMOY  (ed.),  De  evolutie  van  de  basisbeginselen  van  het  contractenrecht,  in  Ius
Commune Europaeum, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2010, 269 p.
S. STIJNS, Leerboek verbintenissenrecht, Brugge, die Keure, 2005, 268 p.
E. SWAENEPOEL, De rechterlijke toetsing van het evenwicht tussen de contractuele hoofdprestaties in het consumentenrecht, onderbouwd vanuit het verbintenissenrecht, Proefschrift K.U.Leuven, 2010, 619 p.
E. TERRYN, Bedenktijden in het consumentenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2008, 686 p.
 
Inleiding
 
Deze bijdrage handelt over de bescherming die een consument (d.i. een persoon die voor  privé-doeleinden  handelt  en  dus  niet  beroepsmatig)  geniet  wanneer  hij  een contract sluit met een professionele verkoper of dienstverlener. Denk aan de aankoop van een privé-wagen of een elektrisch apparaat, het sluiten van een contract met een makelaar voor het (ver)kopen of (ver)huren van een privé-woning of -appartement, het sluiten van een abonnement met een fitnesscenter of een GSM-operator, het openen van een zicht-of spaarrekening bij een bank, het boeken van een reis bij een reisagentschap enz.
 
Vaak  staan   er   op   de  achterzijde   van   het  contract   algemene   voorwaarden,  de zogenaamde kleine lettertjes. Deze algemene voorwaarden bevatten regels die van toepassing zijn op de relatie tussen de contractspartijen. Ook bij het sluiten van een contract via het internet, wordt vóór de definitieve aanvaarding, veelal gevraagd om via een extra druk op het toetsenbord, toestemming te verlenen met de algemene voorwaarden. Velen (zelfs juristen…) ondertekenen deze contracten zonder de kleine lettertjes  te  lezen  en/of  te  begrijpen.  Wanneer  er  later  een  probleem  rijst  bij  de uitvoering van het contract, blijken deze kleine lettertjes al eens regels te bevatten die afwijken van de wettelijke regels voor contracten (het contractenrecht) en die nadelig zijn voor de consument.
 
Een paar voorbeelden van nadelige algemene voorwaarden (hierna ook clausules of bedingen genoemd) zijn: een clausule die de wettelijke garantietermijn van twee jaar die  een  consument  geniet  bij  aankoop  van  een  consumptiegoed  vermindert,  een clausule die toelaat het jaarabonnement voor het fitnesscenter voortijdig te beëindigen mits betaling van een vergoeding gelijk aan alle nog te vervallen maandelijkse bedragen, een clausule die bij betwistingen over het contract de rechtbank bevoegd maakt van de plaats van de hoofdzetel van het bedrijf (mogelijks ver verwijderd van de woonplaats van  de  consument),  de  clausule  die  bij  voortijdige  beëindiging  van  de huurovereenkomst  in  een  schadevergoeding  voorziet  van  zes  maanden  huur,  de clausule die de bank niet aansprakelijk verklaart voor eigen opzettelijke fouten en zware fouten  van  zichzelf  en  haar  bedienden  (bv.  voor  een  foutief  uitgevoerde overschrijving)…
 
Is  de  consument  door  de  ondertekening  van  het  contract  (met  inbegrip  van  de algemene  voorwaarden)  gebonden?  In  welke  mate  kunnen  de  contractspartijen afwijken van de wettelijke regels? Mochten sommige clausules aanvechtbaar zijn, moet de consument dan zelf de nietigheid inroepen of mag de rechter die over het contract moet oordelen op eigen initiatief de nietigheid opwerpen? Dat zijn de vragen die in deze bijdrage beantwoord worden. We schetsen de evolutie die het antwoord op deze vraag heeft doorgemaakt. Het historisch uitgangspunt is de zogenaamde wilsautonomie, neergelegd in artikel 1134 van de Code Napoleon van 1804 die nog steeds van kracht is in België en nog steeds de basisregels voor contracten bevat. Overeenkomstig artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek strekken contracten de partijen tot wet. De partijen zijn gebonden door wat ze ondertekend hebben. Deze traditionele visie komt aan bod in deel 1. Door een gewijzigde maatschappijvisie en, in het verlengde hiervan, een gewijzigde visie op het contractenrecht, wordt het principe van de wilsautonomie anno 2013 gecorrigeerd door het redelijkheids- en vertrouwensbeginsel. Men erkent dat er zwakke contractspartijen zijn, die beschermd moeten worden, in het bijzonder de consument in zijn relatie met de professionele verkoper of dienstverlener. Het is in deze context en in hoofdzaak onder impuls van de Europese wetgever dat het consumentenrecht is ontstaan, in het bijzonder de leer van de onrechtmatige bedingen, die toelaat om de onrechtvaardige ‘kleine lettertjes’ te bestrijden.
Deze moderne visie op het contractenrecht komt aan bod in deel 2.
 
 
Deel 1. Historisch uitgangspunt: de wilsautonomie
 
Wat was de traditionele visie anno 1804, d.i. het tijdstip van het opstellen van het Burgerlijk Wetboek dat nog steeds de wettelijke regels voor contracten bevat? In het algemeen, wordt de visie op de maatschappij in 1804 gekenmerkt door een extreem individualisme en economisch liberalisme. De nadruk ligt op de individuele vrijheid van het individu. Elk individu beschikt over een rede en een vrije wil, m.a.w. iedereen is verstandig genoeg om voor zichzelf de juiste beslissingen te nemen. De rol en inmenging van de staat is zeer beperkt. In het bijzonder en vertaald naar het contractenrecht, uit dit zich in het principe van de wilsautonomie (autonomie van de wil).  Elk individu heeft de bevoegdheid om vrij zijn eigen rechtspositie te bepalen, onder meer door vrij contracten te sluiten. De voornaamste bron van verbintenissen is niet de wet, maar de vrijwillig gesloten contracten. Omdat iedereen verstandig genoeg is om voor zichzelf de juiste beslissingen te nemen, gaat men er van uit dat de vrij gesloten contracten rechtvaardig zijn voor de partijen.
 
Deze wilsautonomie uit zich in drie aspecten: de contractvrijheid, de bindende kracht van het contract en het consensualisme.
 
§ 1. De contractvrijheid
 
Het eerste facet van de wilsautonomie is de contractvrijheid. In het algemeen, is elk individu  vrij  om  al  dan  niet  te  contracteren,  om  al  dan  niet  contracten  te  sluiten. Negatief uitgedrukt: contractweigering is toegelaten. In het bijzonder uit zich dit in drie elementen: de vrijheid om te contracteren wanneer men wil, de vrijheid om te contracteren met wie men wil en de vrijheid om zelf de inhoud van de overeenkomst te bepalen. De meeste wettelijke regels voor contracten zijn van aanvullend recht. Dit betekent dat de partijen in hun contract mogen afwijken van de wettelijke regeling. Artikel 6 Burgerlijk Wetboek bepaalt weliswaar dat contracten niet in strijd mogen zijn met regels van openbare orde en goede zeden, maar de regels van openbare orde in het contractenrecht zijn beperkt.
 
§ 2. De bindende kracht
 
Het tweede facet van de wilsautonomie is de bindende kracht van het contract. Artikel 1134 Burgerlijk Wetboek bepaalt: het contract strekt de partijen tot wet. Met andere woorden: de partijen die een contract hebben ondertekend zijn gebonden. Elke partij moet de aangegane verbintenissen nakomen (behalve bij overmacht). Artikel 1134, tweede lid Burgerlijk Wetboek voegt eraan toe dat een partij het contract niet eenzijdig kan wijzigen of beëindigen. Het contract wijzigen of beëindigen kan alleen met wederzijdse toestemming van de partijen, op de gronden door de wet erkend of via een clausule/beding die de partijen opnemen in hun contract waarbij zij in de mogelijkheid voorzien om het contract eenzijdig op te zeggen (opzegbeding).
 
De bindende kracht van het contract heeft ook gevolgen voor de rechter. De rechter moet het contract respecteren. Hij mag geen zaken lezen in het contract die de partijen niet hebben gewild. De rechter mag zich niet inmengen in de contractuele relatie, zelfs als hij/zij vindt dat het contract onrechtvaardig of onbillijk is. Een voorbeeld hiervan vormt de niet-erkenning in het Belgische recht van de imprevisie-leer. Stel dat Jan een keuken koopt van 25 000 euro. Na het sluiten van het contract en voorafgaand aan de levering, wordt zijn spaargeld (geparkeerd op een bankrekening bij Kaupthing-bank) geblokkeerd door de bankencrisis. Jan wordt met andere woorden geconfronteerd met onvoorzienbare omstandigheden buiten zijn wil om waardoor het niet onmogelijk maar wel veel moeilijker is om zijn contract na te komen. Jan zal die onvoorzienbare omstandigheden (zogenaamde imprevisie) niet kunnen inroepen om het contract aan te passen en een goedkopere keuken te nemen. Het principe van de bindende kracht van het contract verzet zich daartegen.
 
§ 3. Consensualisme
 
Het derde facet van de wilsautonomie vormt het consensualisme. Een contract komt tot stand solo consensu, d.w.z. dat de wilsovereenstemming volstaat. Een (zelfs mondeling) aanbod en aanvaarding volstaat. Er moeten verder geen vormvereisten nageleefd worden om een geldig contract te sluiten. Er moet bijvoorbeeld geen geschrift worden opgemaakt.
 
 
Deel 2. De wilsautonomie gecorrigeerd
 
Vanaf het einde van de 19de eeuw, is er kritiek geuit op het extreme individualisme en economisch liberalisme. Men is tot de vaststelling gekomen dat de idee van vrijheid van alle burgers een fictie is en niet overeenstemt met de realiteit. In het algemeen heeft dit geleid tot een nieuwe visie op de maatschappij, gekenmerkt door socialisering en een geleide  vrije markteconomie.  Elk  individu  is  ook  een  sociaal  wezen  en  handelt  als zodanig binnen heel verscheidene groepen en sociale contexten. Grote economische, sociale en culturele ongelijkheden tussen individuen leiden tot wantoestanden. Daarom moet de staat meer sturen met het oog op meer ordening van de maatschappij. In het bijzonder leidt dit tot een nieuwe visie op het contractenrecht en tot een socialisering van het contractenrecht door een wisselwerking tussen het (nog steeds geldende) principe van de wilsautonomie en het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
 
Het redelijkheidsbeginsel zet de deur open naar de billijkheid: men gaat niet alleen kijken   wat   de   partijen   gewild   hebben,   men   gaat   ook   kijken   wat   de   partijen redelijkerwijze konden willen. Het vertrouwensbeginsel laat toe om niet alleen te kijken naar de werkelijkheid, maar ook naar de schijn die opgewekt is. Als iemand rechtmatig vertrouwd heeft dat die schijn werkelijkheid was, dan mag die persoon zich beroepen op de schijn.
 
Men neemt met andere woorden in ogenschouw dat een contract ook een sociaal of maatschappelijk feit is en dat er zwakkere contractspartijen zijn die moeten opboksen tegen machtige ondernemingen. De rede en de vrije wil leiden daarom niet altijd tot rechtvaardige contracten. Zwakkere contractspartijen (bv. huurders, werknemers, consumenten) verdienen bescherming. Deze nieuwe visie leidt tot een tempering van de drie facetten van de wilsautonomie.
 
§ 1. De contractvrijheid
 
Ingevolge de nieuwe visie, neemt de overheid meer en meer maatregelen om te corrigeren. Dit uit zich in beperkingen aan de vrijheid om te contracteren wanneer men wil (A), te contracteren met wie men wil (C) en de inhoud van het contract te bepalen (B).
 
     A.  Beperkingen aan de vrijheid om te contracteren wanneer men wil
 
Het uitgangspunt is dat de vrijheid en de gelijkheid van individuen een illusie is. In sommige domeinen is er een ongelijkheid tussen een zwakke en een economisch sterke partij. Zwakkere partijen kunnen geen contracten sluiten of hebben geen keuze omtrent de tegenpartij. De overheid heeft ingegrepen door in sommige domeinen een wettelijke verplichting tot contracteren op te leggen, zodat contractweigering daar niet langer mogelijk is.
 
Dit geldt allereerst voor levensnoodzakelijke goederen en diensten (water, gas, elektriciteit) die iedereen nodig heeft. In het verleden was het mogelijk om de levering van water, gas en elektriciteit bij wanbetalers af te sluiten en te weigeren hen nog langer een contract toe te kennen. Sinds een tussenkomst van de overheid, zijn de grote bedrijven die instaan voor de levering van water, gas en elektriciteit verplicht om een minimumdienst te verlenen aan elk individu. Een tweede voorbeeld betreft de verzekering tegen ongevallen, afgesloten door eigenaars van een wagen. In het verleden konden chauffeurs die al vaak een ongeval veroorzaakten geweigerd worden door de verzekeraar. Omdat onverzekerd met de wagen rijden nadelig is voor de slachtoffers van een ongeval, heeft de wetgever een verplichte verzekering van de aansprakelijkheid voor motorvoertuigen ingevoerd. Hierdoor is het niet langer mogelijk voor verzekeraars om een verzekering te weigeren. Een laatste voorbeeld betreft de wet op de minimale basisbankdiensten. Sinds enkele jaren is een bank verplicht om een aantal minimale diensten te verlenen aan elke persoon, bijvoorbeeld de mogelijkheid om een rekening te openen.
 
     B.   Beperkingen aan de vrijheid om de inhoud van het contract te bepalen
 
     1.   Meer regels van openbare orde
 
Ook wat de inhoud van het contract betreft, zijn er meer grenzen ingevoerd. Allereerst zijn er meer regels van openbare orde in het contractenrecht gecreëerd, d.i. regels waarvan de partijen niet mogen afwijken en die ingeval er toch afgeweken wordt met absolute nietigheid gesanctioneerd worden. Absolute nietigheid betekent dat iedereen de nietigheid kan vragen. Rechters hebben zich zeer creatief getoond om clausules in contracten nietig te verklaren omdat zij in strijd zijn met de openbare orde.
 
Een eerste voorbeeld betreft het exoneratiebeding, d.i. een beding in een contract waarbij een contractspartij zijn aansprakelijkheid tegenover de andere contractspartij beperkt of uitsluit. In principe zijn exoneratiebedingen geldig. Een uitzondering hierop vormen de bedingen waarbij een contractspartij zich exonereert voor de aansprakelijkheid van eigen opzettelijke fouten. Rechters hebben geoordeeld dat in de algemene voorwaarden opnemen dat men niet aansprakelijk is wanneer men opzettelijk een fout begaat, in strijd is met de openbare orde. Zo’n bedingen kunnen bijgevolg nietig verklaard worden en uit het contract geschrapt worden.
 
Een tweede voorbeeld betreft het schadebeding, d.i. een beding in een contract waarbij een  persoon  zich  voor  het  geval  van  niet-uitvoering  van  het  contract  verbindt  tot betaling van een forfaitaire vergoeding van de schade. In principe zijn zo’n schadebedingen  geldig.  Men  mag  evenwel  niet  overdrijven.  De  bedoeling  van  zo’n beding moet zijn om de potentiële schade te begroten. De bedoeling mag niet zijn om de andere partij te straffen voor de niet-uitvoering. Het is immers niet aan de burgers om elkaar te straffen maar aan de overheid. Wanneer een schadebeding dan ook een private straf inhoudt, is het beding in strijd met de openbare orde en kan de rechter het schadebeding matigen.
 
     2.   Meer regels van dwingend recht
 
Daarnaast zijn er in het contractenrecht meer regels van dwingend recht ingevoerd, d.i. regels waarvan de contractspartijen niet mogen afwijken in hun contract. Doen zij dit wel, dan kan enkel de beschermde partij de nietigheid van het contract vragen. Een eerste voorbeeld treffen we aan in het huurrecht, d.i. de regels die gelden voor huurcontracten. Waar deze regels in het verleden van aanvullend recht waren (d.i. de partijen mochten er van afwijken), zijn vele regels vandaag van dwingend recht. Zo regelt de Wet van 20 februari 1991 de woninghuurovereenkomsten, d.i. huurovereenkomsten die personen afsluiten voor hun hoofdverblijfplaats. Artikel 12 van deze wet bepaalt dat de regels van dwingend recht zijn. Ook in het kooprecht, d.i. de regels die gelden voor koopovereenkomsten, treffen we deze evolutie aan. Bij Wet van 1 september  2004  op  de  consumentenkoop, worden  nieuwe  regels  inge-voerd  voor koopovereenkomsten gesloten tussen een consument en een professionele verkoper. Ook hier bepaalt artikel 1649 octies dat de regels van dwingend recht zijn. Clausules in consumentenkoopovereenkomsten die afwijken van de regeling zijn nietig, bv. een clausule die de garantietermijn van twee jaar vermindert.
 
     3.   Verboden bedingen
 
In het bijzonder zijn er wettelijke regelingen die bepaalde bedingen verbieden. De belangrijkste regeling is de onrechtmatige bedingenleer in de Wet Marktpraktijken en Consumenten-bescherming van 12 april 2010 (vroegere Wet Handelspraktijken, hierna afgekort  WMC).  Deze  wet  bevat  een  uitgebreide  regeling  omtrent  bedingen  in contracten die onrechtmatig zijn. Artikel 2, 28 ° WMC bevat een open norm die de rechter toelaat om contractuele bedingen te vernietigen die een kennelijk onevenwicht scheppen tussen de rechten en plichten van de partijen ten nadele van de consument. De rechter oordeelt of een beding bij toepassing van artikel 2,28 ° WMC nietig is. Artikel 74 WMC bevat een zwarte lijst van verboden bedingen. Voor de bedingen die in deze lijst zijn opgenomen, bepaalt de wetgever of een beding verboden is.
 

Art. 74. In de overeenkomsten gesloten tussen een onderneming en een consument zijn in elk geval onrechtmatig, de bedingen en voorwaarden of de combinaties van bedingen en voorwaarden die ertoe strekken:
1° te voorzien in een onherroepelijke verbintenis van de consument terwijl de uitvoering van de prestaties van de onderneming onderworpen is aan een voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend afhankelijk is van haar wil;
2° in overeenkomsten van onbepaalde duur te bepalen dat de prijs van de producten wordt vastgelegd op het ogenblik van levering, dan wel de onderneming toe te laten eenzijdig de prijs te verhogen of de voorwaarden ten nadele van de consument te wijzigen op basis van elementen die enkel afhangen van haar wil, zonder dat de consument in al deze gevallen het recht heeft om vooraleer de nieuwe prijs of de nieuwe voorwaarden van kracht worden, de overeenkomst zonder kosten of schadevergoeding te beëindigen en hem daartoe een redelijke termijn wordt gelaten.
(…)
3° in overeenkomsten van bepaalde duur te bepalen dat de prijs van de producten wordt vastgelegd op het ogenblik van levering, dan wel de onderneming toe te laten eenzijdig de prijs te verhogen of de voorwaarden ten nadele van de consument te wijzigen op basis van elementen die enkel afhangen van haar wil, zelfs indien op dat ogenblik de consument de mogelijkheid wordt geboden om de overeenkomst te beëindigen.
(…)
4° de onderneming het recht te verlenen om de kenmerken van het te leveren product te wijzigen, indien die kenmerken wezenlijk zijn voor de consument, of voor het gebruik waartoe hij het product bestemt, althans voor zover dit gebruik aan de onderneming was medegedeeld en door haar aanvaard of voor zover, bij gebrek aan een dergelijke specificatie, dit gebruik redelijkerwijze was te voorzien;
5° de leveringstermijn van een product eenzijdig te bepalen of te wijzigen;
6° de onderneming het recht te geven eenzijdig te bepalen of het geleverde goed of de verleende dienst aan de bepalingen van de overeenkomst beantwoorden of haar het exclusieve recht te geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren;
7° de consument te verbieden de ontbinding van de overeenkomst te vragen ingeval de onderneming haar verbintenis niet nakomt;
8° het recht van de consument te beperken om de overeenkomst op te zeggen, wanneer de onderneming, in het raam van een contractuele garantieverplichting, haar verbintenis om het goed te herstellen of te vervangen niet of niet binnen een redelijke termijn nakomt;
9° de consument ertoe te verplichten zijn verbintenissen na te komen, terwijl de onderneming de hare niet is nagekomen, of in gebreke zou zijn deze na te komen;
10° onverminderd artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, de onderneming toe te staan de overeenkomst voor bepaalde duur eenzijdig te beëindigen zonder schadeloosstelling voor de consument, behoudens overmacht;
11° onverminderd artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, de onderneming toe te staan een overeenkomst van onbepaalde duur op te zeggen zonder redelijke opzegtermijn, behoudens overmacht;
12° de consument niet toe te staan bij overmacht de overeenkomst te ontbinden, tenzij tegen betaling van een schadevergoeding;
13° de onderneming te ontslaan van haar aansprakelijkheid voor haar opzet, haar grove schuld of voor die van haar aangestelden of lasthebbers, of, behoudens overmacht, voor het niet-uitvoeren van een verbintenis die een van de voornaamste prestaties van de overeenkomst vormt;
14° de wettelijke waarborg voor verborgen gebreken, bepaald bij de artikelen 1641 tot 1649 van het Burgerlijk Wetboek, of de wettelijke verplichting tot levering van een goed dat met de overeenkomst in overeenstemming is, bepaald bij de artikelen 1649bis tot 1649octies van het Burgerlijk Wetboek, op te heffen of te verminderen;
15° een onredelijk korte termijn te bepalen om gebreken in het geleverde product aan de onderneming te melden;
16° de consument te verbieden zijn schuld tegenover de onderneming te compenseren met een schuldvordering die hij op haar zou hebben;
17° het bedrag vast te leggen van de vergoeding verschuldigd door de consument die zijn verplichtingen niet nakomt, zonder in een gelijkwaardige vergoeding te voorzien ten laste van de onderneming die in gebreke blijft;
18° de consument voor een onbepaalde termijn te binden, zonder duidelijke vermelding van een redelijke opzeggingstermijn;
19° de overeenkomst van bepaalde duur voor de opeenvolgende levering van goederen voor een onredelijke termijn te verlengen indien de consument niet tijdig opzegt;
20° een overeenkomst van bepaalde duur automatisch te verlengen bij het ontbreken van een tegengestelde kennisgeving van de consument, terwijl een al te ver van het einde van de overeenkomst verwijderde datum is vastgesteld als uiterste datum voor de kennisgeving van de wil van de consument om de overeenkomst niet te verlengen;
21° de bewijsmiddelen waarop de consument een beroep kan doen op ongeoorloofde wijze te beperken of hem een bewijslast op te leggen die normaliter op een andere partij bij de overeenkomst rust;
22° in geval van betwisting, de consument te doen afzien van elk middel van verhaal tegen de onderneming;
23° de onderneming toe te staan haar vordering op de consument, op grond van een contractueel bedongen keuze van woonplaats, voor een andere rechter in te leiden dan die welke is aangewezen in artikel 624, 1°, 2° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, onverminderd de toepassing van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;
24° in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de consument, schadevergoedingsbedragen vast te stellen die duidelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden;
25° de wettelijke aansprakelijkheid van de onderneming uit te sluiten of te beperken bij
overlijden of lichamelijk letsel van de consument ten gevolge van een doen of nalaten van deze onderneming;
26° op onweerlegbare wijze de instemming van de consument vast te stellen met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst;
27° de onderneming toe te staan door de consument betaalde bedragen te behouden wanneer deze afziet van het sluiten of het uitvoeren van de overeenkomst, zonder erin te voorzien dat de consument een gelijkwaardig bedrag aan schadevergoeding mag ontvangen van de onderneming wanneer deze laatste zich terugtrekt;
28° de onderneming toe te staan de door de consument betaalde voorschotten te behouden ingeval de onderneming zelf de overeenkomst opzegt;
29° de verplichting van de onderneming te beperken om de verbintenissen na te komen die door haar gevolmachtigden zijn aangegaan, of haar verbintenissen te laten afhangen van het naleven van een bijzondere formaliteit;
30° op ongepaste wijze de wettelijke rechten van de consument ten aanzien van de onderneming of een andere partij uit te sluiten of te beperken in geval van volledige of gedeeltelijke wanprestatie of van gebrekkige uitvoering door de onderneming van een van haar contractuele verplichtingen;
31° te voorzien in de mogelijkheid van overdracht van de overeenkomst door de onderneming, wanneer hierdoor de garanties voor de consument zonder diens instemming geringer kunnen worden;
32° de voor een product aangekondigde prijs te verhogen omwille van de weigering van de consument om via bankdomiciliëring te betalen;
33° de voor een product aangekondigde prijs te verhogen omwille van de weigering van
de consument om zijn facturen via elektronische post te ontvangen.
 
Belangrijk is ook de evolutie dat een rechter verplicht is om op eigen initiatief de onrechtmatigheid van een beding op te werpen. In het verleden kon een rechter slechts op eigen initiatief een inbreuk op regels van openbare orde aanvoeren. Een inbreuk op regels van dwingend recht (bv. de onrechtmatige bedingenleer) moest door de (beschermde) partij zelf opgeworpen worden. Om een zo effectief mogelijke bescherming van de consument te bereiken, werd het evenwel nodig geacht dat ook aan de rechter een initiatiefrecht toekomt.   Het Europese Hof van Justitie is deze zienswijze bijgetreden inzake forumbedingen, d.i. bedingen die de bevoegde rechtbank aanwijzen.   Het Hof benadrukt in zijn rechtspraak dat de doelstelling van de regels inzake onrechtmatige bedingen mogelijks niet kan worden bereikt, wanneer de consument het onrechtmatige karakter van zo’n bedingen zelf aan de orde zou moeten brengen.
 
     4.   Verplichte bedingen
 
Tot slot zijn er wettelijke regelingen die verplichte bedingen in een contract opleggen. Het Koninklijk Besluit van 12 januari 2007 betreffende het gebruik van bepaalde bedingen  in  de  bemiddelingsovereenkomsten  van  vastgoedmakelaars  vormt  hiervan een mooi voorbeeld.
 
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de overeenkomsten tot verkoop-, aankoop-, verhuur- en huurbemiddeling gesloten tussen de vastgoedmakelaars (…).
Art. 2. De bemiddelingsopdracht maakt het voorwerp uit van een geschreven overeenkomst. De bedingen van deze bemiddelingsovereenkomst bepalen:
   1° De opdracht van de vastgoedmakelaar en de omvang van zijn bevoegdheid. Deze worden in één enkele rubriek van het contract op duidelijke en ondubbelzinnige wijze beschreven, waarbij onder meer duidelijk blijkt of de opdracht van de makelaar het sluiten van de overeenkomst in naam en voor rekening van de consument omvat.
In voorkomend geval, een duidelijke omschrijving van de mogelijkheid en de grenzen waarbinnen de vastgoedmakelaar kan onderhandelen over de prijs en de voorwaarden binnen het kader van de afgesproken opdracht.
In geval van overeenkomsten tot verkoop- of verhuurbemiddeling waarbij aan de vastgoedmakelaar de opdracht tot het onderhandelen van de prijs of van de verkoops- of verhuurvoorwaarden wordt gegeven, worden de minimum vraagprijs alsook deze voorwaarden duidelijk gespecificeerd.
   2° Het door de consument te betalen tarief voor de bemiddelingsopdracht.
Dit tarief is het totale tarief, waaronder is begrepen : de belasting over de toegevoegde waarde, alle overige taksen en de kosten van alle diensten die door de consument verplicht moeten worden bijbetaald.
   3° De duur van de overeenkomst
Indien aan de vastgoedmakelaar de exclusiviteit wordt toegekend, overschrijdt de bemiddelingsovereenkomst geen zes maanden.
  4° Indien een voor bepaalde duur gesloten bemiddelingsovereenkomst stilzwijgend wordt verlengd of ver-nieuwd, kan zij ten allen tijde en zonder kosten worden beëindigd mits een opzegtermijn van maximum één maand.
  5° Wanneer de bemiddelingsovereenkomst bepaalt dat de opdracht is vervuld indien een wederpartij een geldig bod heeft uitgebracht, wordt bepaald dat dit bod is gedaan in een geschrift of op een andere manier die aan de klant een vast bewijs levert van het bod dat uitgaat van deze wederpartij.
   6° (…).
   9° Het opzeggingsbeding dat de consument de bevoegdheid toekent om de bemiddelingsovereenkomst voor de toekomst op eenzijdige beslissing te beëindigen zonder dat enige motivering vereist is.
In geval een opzegvergoeding wordt voorzien, kan de opzegvergoeding niet meer bedragen dan 50 % van het ere- of commissieloon van de makelaar op voorwaarde dat de consument het onroerend goed, voorwerp van de bemiddelingsopdracht, niet verkoopt of verhuurt binnen de 6 maanden na de opzegging.
  10° De handgeschreven vermelding van de datum en het precies adres van de plaats waar de bemiddelingsovereenkomst wordt afgesloten door de consument.
   11° Een verzakingsbeding, waarbij de consument het recht heeft om zonder kosten binnen de zeven werkdagen van de bemiddelingsovereenkomst af te zien ongeacht de plaats waar de overeenkomst wordt gesloten, gesteld op de wijze zoals bepaald in artikel 88 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument.
(…)
Art. 4. Elke andere bepaling van de contractvoorwaarden die rechtstreeks of onrechtstreeks de rechten opheft of beperkt die de consument haalt uit dit besluit, is verboden en nietig.
 
     C. Beperkingen aan de contractvrijheid om te contracteren met wie men wil
 
Tot slot zijn er ook beperkingen ingevoerd aan de vrijheid om te contracteren met wie men wil. De belangrijkste evolutie betreft de Antidiscriminatiewetten van 10 mei 2007. Sinds lang geldt het gelijkheidsbeginsel of antidiscriminatieverbod in het publiekrecht: elke burger heeft in zijn relatie tot de overheid recht op een gelijke behandeling. Er is evenwel lang gedebatteerd of dit gelijkheidsbeginsel ook van toepassing is in het privaatrecht en bijgevolg een rol kan spelen in de relatie tussen burgers onderling. Een duidelijk antwoord is er gekomen met de Antidiscriminatiewetten van 10 mei 2007 die expliciet  discriminatie  verbieden  tussen  burgers  onderling.  Deze  wetgeving  is  van toepassing op contracten gesloten in de publieke sfeer door alle mogelijke personen, zowel de overheidssector als de particuliere sector. Het vereiste van het ‘publieke’ karakter van de activiteiten toont wel aan dat de Wetten niet willen raken aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de verrichtingen die deze persoonlijke levenssfeer niet verlaten (bv. organisatie van een privé-verjaardagsfuif). De Antidiscriminatie-wetten treffen een burger enkel in zijn maatschappelijk leven, niet in zijn privé-leven.
 
De  Wet  verbiedt  discriminatie  bij  de  toegang  tot  en  het  aanbod  van  goederen  en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn en de toegang tot en de deelname aan, alsook elke andere uitoefening van een economische, sociale, culturele of politieke activiteit toegankelijk voor het publiek. Dit moet ruim opgevat worden en treft zowel de precontractuele fase met het aanbieden en het weigeren te verkopen, als de contractuele fase met de contractvoorwaarden en de uitvoering van het koopcontract. Bedingen die afbreuk doen aan het verbod worden gesanctioneerd met de nietigheid. Zo is het voortaan verboden om te weigeren een villa (te huur aangeboden via een makelaar) te verhuren aan een paar van gelijk geslacht. Ook een bordje uithangen met de boodschap dat er koten te huur zijn maar enkel voor meisjes is strikt genomen niet meer mogelijk. Een sector waar dit problematisch is, is de verzekeringssector. In deze sector worden vaak hogere premies gevorderd naar gelang het geslacht, de leeftijd, het risicogehalte (bv. rokers) enz.
 

 § 2. De bindende kracht

Ook  de  bindende  kracht  van  het  contract  wordt  minder  streng  toegepast.  In  het verleden mocht een rechter geen zaken lezen in het contract die er niet instonden. De rol van de rechter was   beperkt   tot   het   interpreteren   van   een   contract   bij onduidelijkheid. In de moderne visie is de rol van de rechter veel uitgebreider. Hij mag, ingevolge het redelijkheidsbeginsel en het beginsel van uitvoering te goeder trouw van de overeenkomst, het contract aanvullen en matigen. Hierop wordt in deze bijdrage niet verder ingegaan.
 
Een andere beperking op de bindende kracht van het contract betreft de invoering van een zogenaamde bedenktermijn of herroepingsrecht voor de consument in bepaalde contracten, d.i. het recht dat aan de consument toekomt om binnen een korte periode na  het  sluiten  van  een  contract  hiervan  terug  af  te  zien.  In  België  werd  de bedenktermijn in 1970 voor het eerst ingevoerd in het kader van een verkoop op afbetaling die werd gesloten buiten het bedrijf van de verkoper. In 1991, met het aannemen van de Wet Handelspraktijken van 14 juli 1991 (de voorloper van de Wet Marktpraktijken, zie hoger) werd de bedenktermijn uitgebreid naar alle verkopen buiten de onderneming. Sindsdien volgden talrijke andere wetten die de consument een bedenktermijn toekennen (zie bv. hoger, art. 2, 11° KB Vastgoedmakelaars).
 
§ 3. Consensualisme versus formalisme
 
Volgens de traditionele visie, volstond de consensus en golden er geen vormvereisten om een geldige overeenkomst te sluiten. Volgens de moderne visie zijn er in sommige situaties vormvereisten nodig om de zwakkere partij te beschermen. Zo kan een wettelijke verplichting tot het opstellen van een geschrift ervoor zorgen dat de koper beter beseft tot wat hij zich verbindt en twee keer nadenkt. Achteraf kent hij beter zijn rechten, omdat deze in het geschrift zijn neergelegd. Zo verplicht bijvoorbeeld de Wet Consumentenkrediet, in artikel 14, om een schriftelijk contract op te stellen met een aantal verplichte vermeldingen.
 
Besluit
 
Anno 2013 is de consument door de ondertekening van een contract (met inbegrip van de algemene voorwaarden) niet langer per se gebonden. In sommige situaties heeft de consument een bedenktermijn en kan hij binnen een korte periode terug afzien van het contract. Daarnaast bevatten heel wat wetten dwingende regels waarvan de contractspartijen niet mogen afwijken op straffe van nietigheid. Tot slot is de rechter verplicht om, binnen bepaalde grenzen, op eigen initiatief de nietigheid van de clausules op te werpen. Met een vergrootglas naar de kleine lettertjes kijken kan dus lonen…
 
 

Maandag 7 januari 2013

Jacques Lesage, voordrachtkunstenaar.    'De bende van Bakelandt' 

Voorzitter Stef D'haene bij de inleiding van voordrachtkunstenaar Jacques Lesage. Voordrachtkunstenaar Jacques Lesage tijdens zijn vertelling over de 'Bende van Bakelandt'.

UDL Lezingen - Foto's - Syntheseteksten

Maandag 1 oktober 2012          Start van het 36ste UDL-Academiejaar

Prof. Bart Kerremans   KULeuven    'De presidentsverkiezingen in de USA' 

 

Start van het 36ste UDL-Academiejaar. Start van het 36ste UDL-Academiejaar. Voorzitter Stef D'haene bij de opening van het 36ste werkjaar 2012-2013 Prof. Bart Kerremans, KULeuven tijdens de eerste lezing 'De presidentsverkiezingen in deUSA'. Prof. Bart Kerremans, antwoordde op talrijke vragen van onze UDL-leden. Voorzitter Stef D'haene stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden.

Maandag 8 oktober 2012

Em. Prof. Emilio Platti  KULeuven.     'De Egyptische Lente: een islamitische lente'. 

Uit de voordracht van Em. Prof. Emilio Platti Uit de voordracht van Em. Prof. Emilio Platti Uit de voordracht van Em. Prof. Emilio Platti Uit de voordracht van Em. Prof. Emilio Platti Uit de voordracht van Em. Prof. Emilio Platti Uit de voordracht van Em. Prof. Emilio Platti Uit de voordracht van Em. Prof. Emilio Platti Uit de voordracht van Em. Prof. Emilio Platti Uit de voordracht van Em. Prof. Emilio Platti Em. Prof. Emilio Platti antwoordde op talrijke vragen van onze UDL-leden. Voorzitter Stef D'haene stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden. Em. Prof. Emilio Platti antwoordde op talrijke vragen van onze UDL-leden.

Maandag 15 oktober 2012    

Fons Leroy,  Gedelegeerd Bestuurder VDAB  

'De toekomst van de Vlaamse arbeidsmarkt' 

Fons Leroy tijdens zijn lezing Fons Leroy tijdens zijn lezing Uit de voordracht van Fons Leroy, Gedelegeerd Bestuurduurder VDAB. Uit de voordracht van Fons Leroy, Gedelegeerd Bestuurduurder VDAB. Uit de voordracht van Fons Leroy, Gedelegeerd Bestuurduurder VDAB. Uit de voordracht van Fons Leroy, Gedelegeerd Bestuurduurder VDAB. Uit de voordracht van Fons Leroy, Gedelegeerd Bestuurduurder VDAB. Uit de voordracht van Fons Leroy, Gedelegeerd Bestuurduurder VDAB. Uit de voordracht van Fons Leroy, Gedelegeerd Bestuurduurder VDAB. Uit de voordracht van Fons Leroy, Gedelegeerd Bestuurduurder VDAB. Uit de voordracht van Fons Leroy, Gedelegeerd Bestuurduurder VDAB. Uit de voordracht van Fons Leroy, Gedelegeerd Bestuurduurder VDAB. Uit de voordracht van Fons Leroy, Gedelegeerd Bestuurduurder VDAB. Uit de voordracht van Fons Leroy, Gedelegeerd Bestuurduurder VDAB. Voorzitter Stef D'haene stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden. Fons Leroy, Gedelegeerd bestuurder VDAB, beantwoordde de talrijke vragen van onze UDL-leden.

Maandag 22 oktober 2012

Em. Prof. Dirk Van den Auweele, KULeuven  -  Bedevaarten in de Middeleeuwen.

De eerste bedevaartplaatsen in de Middeleeuwen waren: Jerusalem, Rome en Santiago de Compostela.

 

Talrijke opkomst van de UDL-leden voor de voordracht van EM; Prof. Dirk Van den Auweele. Em. Prof Dirk Van den Auweele tijdens zijn voordracht: 'Bedevaarten in de Middeleeuwen'. Em. Prof Dirk Van den Auweele tijdens zijn voordracht: 'Bedevaarten in de Middeleeuwen'. Jerusalem Rome Santiago de Compostela Jerusalem Rome Santiago de Compostela Voorzitter Stef D'haene  stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Em. Prof. Dirk Van den Auweele beantwoordde de vragen.

Maandag 29 oktober 2012

Em. Prof. Roger Burggraeve, KULeuven   'Over racisme en Broederschap volgens Levinas'

Em. Prof Roger Burggraeve tijdens zijn voordracht. Em. Prof Roger Burggraeve tijdens zijn voordracht. Voorzitter Stef D'haene  stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Em. Prof. Roger Burggraeve beantwoordde de vragen. Voorzitter Stef D'haene  stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Em. Prof. Roger Burggraeve beantwoordde de vragen.
OVER RACISME EN BROEDERSCHAP
VANUIT DE VISIE VAN EMMANUEL LEVINAS
 
Em. Prof. Roger Burggraeve (Levinasonderzoeker en ethicus KULeuven)
   
Inleiding
 
Voor de filosoof Emmanuel Levinas (1905-1995) is de racistische genocide de meest verschrikkelijke vorm van intermenselijk kwaad: “de diabolische criminaliteit of het absolute kwaad”. Tegelijk formuleert hij de shockerende stelling dat we het telkens terugkerend racisme enkel kunnen begrijpen als we het verbinden met de ‘zijnspoging’ van de mens, namelijk met zijn natuurlijk en ‘gezond’ streven naar identiteit en eigenheid. Vandaar zijn stelling over de wezenlijke ‘dubbelzinnigheid’ van het eigene en ‘tribale’ als enerzijds onmisbaar en anderzijds potentieel gewelddadig en racistisch. Vandaar ook de nood aan overschrijding, die volgens hem plaatsgrijpt in de ethische ontmoeting met de ander als ander. We volgen Levinas in deze dubbele beweging.
 
Het eigene als realistisch vertrekpunt: “le même”
 
Het is niet omdat het racisme diabolisch is, dat het niet tegelijk met ons ‘vlees en bloed’ – met ons ‘zijn’ – als potentialiteit en verleiding vervlochten is.
Het ‘natuurlijke’ bestaan van de mens als eindig en behoeftig wezen is getekend door de struggle for life die ook de niet-menselijke levende wezens tekent (Darwin). Het menselijk ‘zijn’ is met andere woorden getekend door baatzucht of natuurlijk egoïsme (Hobbes). De mens manifesteert zich op het eerste gezicht als een ik, dat doorheen al zijn activiteiten, zichzelf niet alleen als hetzelfde probeert in stand te houden maar zichzelf ook probeert te ontplooien als een dynamische en creatieve identiteit die zichzelf steeds meer als hetzelfde bij uitstek probeert te ‘vestigen’. Deze dynamische identiteit drukt zich op een concrete wijze uit in de ‘eigenheid’, gebaseerd op specifieke eigenschappen, waardoor het ik zich tevens kan onderscheiden en afscheiden van andere zijnden. 
Deze eigenheid drukt zich niet alleen individueel maar ook collectief uit, in die zin dat de mens zich met ‘gelijken verbindt in groepen, voor zover ze eigenschappen en belangen delen. Zo vinden mensen met en door elkaar warmte en solidariteit, en zo ontstaan natuurlijke broederschappen, wat Levinas de uitspraak ontlokt: “Het tribale, de stamverwantschap, is niet verwerpelijk, er schuilen heel wat goede krachten in”.
Dit impliceert dat het vertoog van het universalistisch humanisme over de wezenlijke gelijkheid van de mensen abstract blijft als het niet verbonden wordt met de particulariteit van mensen en groepen volgens etnie, volk, nationaliteit, cultuur, religie… Een realistisch mensbeeld beseft hoe sterk en diep gegrift deze verankering in de sociale eigenheid kan zijn, zonder daar evenwel de mens toe te herleiden – zoals in het vervolg zal blijken. 
 
Overschrijding door de ontmoeting met het gelaat: “l’autre”
 
De overschrijding van de racistische interpretatie en beleving van het eigene is slechts mogelijk doorheen de ontmoeting met de ander als ander. Dat is precies wat Levinas telkens weer in het licht heeft gesteld doorheen zijn fenomenologie van het gelaat en het appel tot verantwoordelijkheid dat ervan uitgaat.
 
De epifanie van de vreemde ander
 
De ander doet zich aan ons voor als een ‘heteronoom feit’, een verschijning of ‘epifanie’ die ‘van elders’ komt en in ons bestaan binnentreedt, zonder dat wij eerst de ander kunnen ontwerpen. De ander is ‘gelaat’ omdat hij zijn vorm – en al zijn eigenschappen – doorbreekt door zich tot ons te wenden als de ander die spreekt, ook al zegt hij niets. In dit opzocht is de ander een ‘gezicht’ – een visuele en sociologische ‘verschijningsvorm’ – die nooit samenvalt met zijn verschijning (zijn beeld, foto, voorstelling…). Letterlijk is de ander ‘onzichtbaar’! In dit opzicht kan Levinas stellen dat de alteriteit van de ander voorafgaat aan zijn verschil: “Het is niet het verschil [van de eigenschappen] die de alteriteit maakt, maar wel de alteriteit die het verschil maakt”. Niet alleen het ik, maar ook de ander heeft een ‘tribale’ verankering, maar de ander valt met die tribale oorsprong nooit samen. Hij is altijd weer anders en méér – oneindig anders en méér – dan zijn tribale herkomst te zien geeft: “de ander heeft met niemand een tribale band, wat precies de totale alteriteit betekent: het verlaten van de gemeenschappelijkheid van de soort”. Levinas noemt het ook kort en krachtig “l’au-delà du tribal”. Dit is het moment waarop men de ‘natuurlijke broederschap’ overschrijdt en in de ‘broer’ (die tot dezelfde familie, etnische of sub-etnische eenheid, culturele en/of religieuze groep behoort) de ‘vreemdeling’ herkent – wat voert tot de ethische broederschap, namelijk de universele verbondenheid met álle anderen, wat precies de grond en de zin van de mensenrechten is. De menselijke alteriteit reikt met andere woorden boven elke bloedband en verwantschap uit, hoe waardevol en aangrijpend die ook mogen zijn.
 
De verleiding van geweld en racisme
 
Nu lijkt de aandacht voor en erkenning van de ander als ander vanzelfsprekend, maar dat is het volgens Levinas helemaal niet het geval. De ontmoeting met de radicale ander, die ons vreemd blijft, gaat immers helemaal niet uit van het ik, dat als hetzelfde bij uitstek om zijn eigen zijn en identiteit bekommerd is, zoals we in de eerste – ‘natuurlijke’ - beweging van ons menszijn zagen. Het is de ander die ‘van elders’ – in zijn alteriteit – naar mij toekomt en mijn bestaan onderbreekt. Dit laat me geenszins ongemoeid, het veroorzaakt een crisis in mijn identiteit: de vreemde ander zet mijn zelfzekere eigenheid op losse schroeven. Vandaar dat Levinas in dit verband spreekt over de ‘bekoring om te doden’: een potentiële gewelddadigheid die rechtstreeks uit de bekommernis om ons eigen zijn en onze eigen identiteit voortvloeit. 
Dit ‘doden’ kan op vele manieren gebeuren, aldus Levinas, namelijk in mildere en sterkere, tot en met extreme vormen: instrumentalisering, diagnostische reductie, reotriek, dominantie en tirannie, moord, haat, racisme, antisemitisme, genocide en allerlei vormen van uitsluiting en/of uitroeiing. 
Deze vormen van ‘ontkennen en doden’ zijn – nogmaals – zijn vormen van geweld die, als mogelijkheid en verleiding, volgens Levinas inherent zijn aan het hierboven beschreven individueel en collectief identiteitsstreven. De natuurlijke broederschap van het ‘wij’ vervalt gemakkelijk in de exclusie van de vijandschap tegenover het ‘zij’, waardoor de natuurlijke broederschappen in hun eigen aard getekend zijn door potentialiteit en de verleiding van de strijd van de ‘in group’ tegen de ‘out group’, tot en met allerlei vormen hetzij van assimilatie (reductie) hetzij van uitsluiting en verwerping, geweld en vernietiging.
 
Voorbij het tribale: de vreemde ander als ethisch appel 
 
Het is precies om alle geweld in het algemeen, en elk racistisch geweld in het bijzonder, te ontmaskeren dat Levinas de grondnorm van de ethiek ontdekt in de ethische epifanie van het gelaat van de ander, namelijk in de imperatief 'Gij zult niet do¬den' (LC 44). Deze imperatief drukt een minimale negatieve grensregel uit, namelijk het verbod de ander in zijn onherleidbaar anders-zijn aan te tasten, te manipuleren of te reduceren of uit te roeien. Dit kunnen we ook het ethisch verbod op racisme noemen. Wat op grond van onze natuurlijke zijnspoging kàn, en waartoe door de dynamiek van ons baatzuchtig streven ons aanzet en verleidt, namelijk de vreemde ander reduceren of vernietigen, mag niet. Een niet-racistische verhouding tot de ander begint met andere woorden met iets nièt te doen, namelijk de ander niet onverschillig benaderen, de ander niet opslorpen of assimileren en tiranniseren, de ander niet uitdrijven of uitroeien. De ethische verhouding tot de ander begint met een radicale vorm van ‘terughoudendheid’: men houdt het eigen natuurlijk of tribaal identiteitsstreven in, zodat er ruimte ontstaat voor de ander in zijn anders-zijn. De niet-racistische ethische verhouding tot de ander begint met andere woorden met een crisisbewustzijn over de eigen tribale reflex, namelijk het besef dat men zich in zijn identiteitsstreven moet inhouden, sterker nog dat men zichzelf in vraag moet stellen, of liever moet laten stellen door de epifanie van de ander. De ethische verhouding begint met de schaamte over de eigen tribale zelfgenoegzaamheid en geslotenheid. We kunnen het ook de huiver noemen of de vrees om de vreemde ander onverschillig links te laten liggen en te ontkennen, of te assimileren en te reduceren als middel voor het eigen baatzuchtig en tribaal bestaan.
 
‘Gij zult doden’ als grondslag voor erkenning van de ander
 
Op deze manier wordt: ‘Gij zult niet doden’ de ethische voorwaarde en grondslag voor het respect voor de vreemde ander. Deze grensregel impliceert het ethisch appel tot erkenning en recht doen aan de ander, tot bevordering van de ander in zijn uniek anders-zijn. Dit noemt Levinas ook de verantwoordelijkheid voor de ander, die niet begint in de dynamiek van hetzelfde, dat wil zeggen in de dynamiek van het eigene en tribale, maar in de epifanie van de ander die naar mij toekomt en mijn identiteit en tribaliteit in crisis brengt en openbreekt. De verantwoordelijkheid door en voor de ander betekent met andere woorden de overschrijding van onze ‘natuur’, namelijk het eigene, tribale en nationale, om uit te monden in wat we het ‘humane bij uitstek’ kunnen noemen, namelijk de erkenning van de ander als ander. In de verantwoordelijkheid wordt de natuur tot beschaving omgevormd, in die zin dat de ander in zijn uniciteit benaderd wordt, dan wil zeggen erkend en bevorderd wordt als een unieke menselijke persoon die onherleidbaar is tot één of andere vorm van particulier toebehoren. Al is de ander evenzeer getekend door de ‘inscriptie’ in allerlei vormen van eigenheid – bloed en bodem -, hij is daartoe niet herleidbaar. Hij is méér, of liever ánders dan elke verankering in een of andere identiteit of particulariteit, tribaliteit of nationaliteit. Welnu, precies in de ethische verhouding van erkenning van de ander reiken we “voorbij het tribale” (au-delà du tribal). De ‘natuurlijke broederschap’ van het toebehoren tot dezelfde familie, etnische of subetnische eenheid wordt niet ontkend maar ook niet verabsoluteerd. Ze wordt wel opengebroken naar een ‘ethische broederschap’, waarbij èlke ander als andere mens erkend en gerespecteerd wordt. “Menselijkheid is het besef dat er nog een stap meer nodig is: de tribale neiging tot rust brengen. Een ergerlijke eis!” Alleen door een ethische, namelijk ‘erkentelijke’ verhouding tot de ander in te stellen, ontstaat er menselijke beschaving. Vandaar dat het antiracisme volgens Levinas niet alleen de ethische kern maar ook het criterium voor menselijke beschaving die naam waardig betekent.
 
Tot slot: Van ‘vleselijke’ naar ‘ethische’ broederschap
 
We eindigen met twee citaten van Levinas, die de beweging van ‘vleselijke’ naar ‘ethische broederschap’ welsprekend uitdrukken: “De echte broederschap is de broederschap door het feit dat de ander me raakt, het is de vreemde die mijn broeder is. Je begrijpt de broederschap alleen door ze niet biologisch op te vatten. Kaïn is niet de broer van Abel! De echte broederschap moet ingesteld worden na het schandaal van die moord, de moord op een vreemdeling”. - “De ander heeft met niemand enige stamverwantschap: de ander is de vreemdeling die uitstijgt boven elke gemeenschap van de soort, de totale alteriteit. Pas wanneer in de [biologische, etnische, nationale] broer de vreemdeling wordt herkend, krijgt de [ethische] broederschap haar volle zin”.
 
 
Suggesties voor verdere lectuur:
 
     •  J. DUYNDAM & M. POORTHUIS, Levinas, Rotterdam, Lemniscaat, 2003, 168 p.
     •  F. GUWY, De ander in ons. Emmanuel Levinas in gesprek (met R. Burggraeve, J. Hansel,
        P.    Kayser, R. Visker), Amsterdam, SUN, 2008, 253 p.
    •   F. POIRIÉ & Ph. NEMO, 11 gesprekken. Emmanuel Levinas aan het woord, 
        Kapellen,  Pelckmans, 2006, 21è p.
 
Pro manuscripto: Roger Burggraeve, Faculteit Theologie en Religiewetenschappen
KULeuven, H. Geestcollege, Naamsestraat 40, B-3000 Leuven.
 

 

Maandag 12 november 2012

Prof. Dr. Lieven Dupont, KULeuven.      'Astma en ademhalingsallergieën'. 

 

ASTMA EN INHALATIE-ALLERGIE

Prof. Dr. Lieven Dupont, Longziekten, UZ Leuven
 
Wat is astma?
 
Astma is een syndroom dat gekenmerkt wordt door een vernauwing en verhoogde prikkelbaarheid van de luchtwegen. De luchtwegen worden prikkelbaarder en vernauwen bij contact met prikkelende stoffen wat leidt tot klachten van kortademigheid en benauwdheid, piepende ademhaling en hoesten (met name 's nachts en ’s ochtends vroeg). Vaak is er een ontsteking van de wand van de luchtwegen die het ziekteproces op gang brengt. 
De klachten treden op in aanvallen, die van korte of langere duur kunnen zijn. De intensiteit van de aanvallen en klachten zijn deels afhankelijk van de mate van blootstelling aan prikkels en worden typisch afgewisseld met klachtenvrije perioden. 
Astma kan variëren van een lichte vorm met zeldzame klachten tot een zeer ernstige vorm met zware klachten die vaak de dagelijkse activiteiten beperken.
 
Komen astma en allergie altijd samen voor?
 
Astma en allergie zijn geenszins synoniemen. Astma kan het gevolg zijn van een inhalatie-allergie maar kan ook ontstaan zonder dat er sprake is van een allergie. Daarnaast kan een allergie andere klachten veroorzaken zonder dat er sprake is van astma.
Allergie is een reactie van het immuunsysteem. Allergenen komen vooral via de huid en via de luchtwegen het lichaam binnen, waarna het immuunsysteem deze allergenen onschadelijk probeert te maken met een soms 'overdreven' allergische reactie. De klachten (loopneus, tranende ogen, jeuk, benauwdheid, diarree) zijn niet afkomstig van het allergeen zelf, maar van de reactie van het immuunsysteem op het allergeen. Hooikoorts is een bekend voorbeeld.
Een allergie is een overgevoeligheidsreactie van het afweersysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk zijn, zoals stuifmeelkorrels of voedingsbestanddelen. Deze overdreven reactie van het lichaam is niet nodig en veroorzaakt klachten. Een inhalatie-allergie is een allergische reactie die ontstaat als reactie op het inademen van (onschadelijke) stoffen. Dit kunnen pollen van grassen, onkruid of bomen zijn, huidschilfers of haren van dieren, stofdeeltjes die uitwerpselen van de huisstofmijt bevatten, schimmelsporen, etc. Deze allergenen komen via de luchtwegen het lichaam binnen, waarna het afweersysteem deze allergenen onschadelijk probeert te maken. Een inhalatie-allergie kan niet alleen astmaklachten veroorzaken maar kan ook gepaard gaan met neusverstopping, niezen, snotteren, en tranende ogen. Zodoende kunnen astma en/of een inhalatie-allergie veel beperkingen veroorzaken in het leven van elke dag. 
 
Hoe vaak komt astma voor?
 
Astma is een frequent probleem over de hele wereld en komt voor op alle leeftijden, vanaf de eerste levensjaren tot op oude leeftijd. De frequentie van voorkomen (prevalentie) wisselt van land tot land met cijfers variërend tussen 3 en 33% van de bevolking. Wereldwijd schat men het aantal mensen met astma op 150 miljoen. De hoogste prevalentie wordt overal bij kinderen gevonden. Astma komt bij vrouwen iets vaker voor dan bij mannen, behalve op jonge leeftijd, daar komt het vaker voor bij jongens dan bij meisjes. 
Precieze cijfers in België ontbreken maar we veronderstellen dat 3 tot 5% van de volwassenen en 4 tot 7% van de kinderen astma heeft. Het aantal mensen in Vlaanderen die sterven ten gevolge van astma is wel laag: in 2007 stierven er 27 mannen en 39 vrouwen ten gevolge van astma (direct gestandaardiseerd sterftecijfer respectievelijk 0,94 en 0,98). 
Een inhalatie-allergie komt vaker voor dan astma en zou aanwezig zijn bij 1 op de 3 van de 7 tot 12-jarige kinderen, bij 1 op de 2 van de 20 tot 29-jarigen en bij een kwart van de 60 tot 69-jarigen. 
 
Neemt het aantal mensen met astma toe of af?
 
In de laatste decennia van de vorige eeuw was er een toename van het aantal personen met astma en inhalatie-allergie. De laatste jaren is het aantal personen met astma en inhalatie-allergie minder sterk gestegen. De wereldwijde stijging in de prevalentie wordt toegeschreven aan veranderingen in leefstijl die gepaard gaan met een toenemende welvaart. Het minder doormaken van infecties op kinderleeftijd zou een ongunstig effect hebben op het rijpende immuunsysteem van kinderen. De veranderde bouwstijl van huizen met betere isolatie en minder ventilatie laat de huisstofmijt beter gedijen en verhoogt de blootstelling aan allergenen in huis. En het toenemend verkeer van dieselwagens doet ook de blootstelling aan pollen en de kans op allergie toenemen.
Astma en allergie ontstaan vaak al in de eerste decades van het leven. De diagnose wordt in 75% van de gevallen gesteld voor de leeftijd van 20 jaar. Bij kinderen is astma de meest voorkomende chronische ziekte. Veel kinderen die op latere leeftijd astma ontwikkelen, hebben al luchtwegklachten voordat ze vier jaar zijn. Sommigen vertonen al symptomen van astma gedurende het eerste levensjaar. Maar het is niet zo dat kinderen die als peuter of kleuter luchtwegklachten hebben, gegarandeerd blijvende symptomen hebben of astmatici worden als ze ouder zijn. De meeste peuters met luchtwegklachten hebben voorbijgaande klachten en evolueren niet naar astma. 
Astma bij kinderen is voornamelijk een allergische ziekte: 80% van de kinderen met astma is allergisch. De belangrijkste allergenen zijn huisstofmijt, huidschilfers van katten en honden, berken- en graspollen. 
Volwassen astmapatiënten zijn vaak maar niet noodzakelijk mensen die ook als kind al astma hadden. Gedurende het leven van iemand met astma kunnen zich perioden voordoen met meer en met minder klachten en zelfs perioden (vaak gedurende de adolescentie) zonder klachten. 
 
Hoe wordt astma behandeld?
 
De behandeling van astma is erop gericht om klachten en opstoten te beperken en verslechtering van de longcapaciteit (longfunctie) te voorkomen. Astma is echter niet te genezen.
De behandeling bestaat uit een combinatie van medicamenteuze en niet-medicamenteuze therapie. De niet-medicamenteuze behandeling omvat het mijden van blootstelling aan prikkelende zaken zoals rook en stof, het vermijden van het contact met allergenen en het stimuleren van sportactiviteiten.
Afhankelijk van de klachten en de onderliggende mechanismen, wordt ook een behandeling met medicatie ingesteld. Bij de meeste patiënten gaat de voorkeur uit naar inhalatietherapie of toediening van medicatie via rechtstreekse inhalatie of inademing. In de praktijk wordt wel vaak met een combinatie van meerdere medicamenten gewerkt. Meestal omvat dit ontstekingsremmende medicatie in combinatie met luchtwegverwijderaars. 
 
Astma en sport
 
Astmaklachten mogen geen reden zijn tot fysieke inactiviteit, ook niet als de klachten worden uitgelokt door een fysieke inspanning. 
Astmaklachten bij inspanning zijn frequent, vooral bij kinderen en jong-volwassenen. Men schat dat meer dan 90% van de mensen met astma, wanneer ze niet goed behandeld zijn, last hebben van astmatische klachten bij inspanning. Bij atleten zonder andere klachten van astma kan er zelfs geïsoleerd inspanningsastma ontstaan, uitgelokt door zeer hevige fysische inspanningen. 
Mensen met astma die regelmatig aan sport doen, hebben minder last van hun aandoening dan lotgenoten die een zittend leven leiden. Astmapatiënten met een goede lichamelijke conditie hebben minder snel last hebben van ademnood bij een eventuele astma-aanval. Ze beschikken ook over een grotere reserve bij zwaardere inspanningen en ze hebben ook veel minder geneesmiddelen nodig dan anderen.
 
 
De bijgevoegde foto's kunnen bij aanklikken vergroot worden.
 
  
Inleiding door voorzitter Stef D'haene. Prof. Dr. Lieven Dupont tijdens zijn lezing. Prof. Dr. Lieven Dupont tijdens zijn lezing. Prof. Dr. Lieven Dupont tijdens zijn lezing. Voorzitter Stef D'haene  stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Prof. Dr. Lieven Dupont beantwoordde de vragen. Prof. Dr. Lieven Dupont.

Maandag 10 december 2012  

Baron Buysse, Voorzitter Bekaertgroep          'Passie voor ondernemen' 

Voorzitter Stef D'haene bij de inleiding van de lezing Baron Buysse, Voorzitter van de Bekaertgroep. Baron Buysse, Voorzitter van de Bekaertgroep tijdens zijn lezing. Baron Buysse, Voorzitter van de Bekaertgroep tijdens zijn lezing. Baron Buysse, Voorzitter van de Bekaertgroep tijdens zijn lezing. Voorzitter Stef D'haene  stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Baron Buysse beantwoordde de vragen.

 

Maandag 17 december 2012

Prof. Manuel Sintubin, KULeuven              'Leven op aarde: een risicovolle onderneming'. 

Voorzitter Stef D'haene bij de inleiding van de lezing Prof. Manuel Sintubin. Prof. Manuel Sintubin tijdens zijn lezing. Uit de lezing van Prof. Munuel Sintubin. Uit de lezing van Prof. Munuel Sintubin. Uit de lezing van Prof. Munuel Sintubin. Uit de lezing van Prof. Munuel Sintubin. Uit de lezing van Prof. Munuel Sintubin. Uit de lezing van Prof. Munuel Sintubin. Uit de lezing van Prof. Munuel Sintubin. Uit de lezing van Prof. Munuel Sintubin. Voorzitter Stef D'haene  stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Prof. Manuel Sintubin beantwoordde de vragen. Voorzitter Stef D'haene  stelde de talrijke vragen van onze UDL-leden en Prof. Manuel Sintubin beantwoordde de vragen.

https://perswww.kuleuven.be/~u0011680/Downloads/UDLBrugge/UDL20121217-aardbeving.pdf

De UDL-leden die de presentatie van Porf. Manuel Sintubin nog eens willen bekijken, kunnen dit door het aanklikken van bovenstaande link.