Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

UDL Lezingen - Foto's - Syntheseteksten 2017-2018

Maandag 12 maart 2018
Prof. Dr. Wim Van de Voorde, KULeuven
‘De forensisch arts als sporen(onder)zoeker’

Investigation is wat elke krimifanaat in zijn wekelijkse dosis detectives en misdaadseries te zien krijgt. Gebeurt het spoorzoeken in de realiteit ook zo? De lezing laat zien hoe de  forensische geneeskunde Sherlock Holmes, Hercule Poirot, Witse, Baantjer, Aspe, Morse en al die andere speurneuzen ver overstijgt.

De forensisch patholoog professor dr. Wim Van de Voorde staat ten dienste van het gerecht en is geaccrediteerd specialist. Dit betekent dat hij en zijn team hun werk verrichten binnen een wetenschappelijk kwaliteitskader.

Maandag 26 februari 2018
Prof. Marc De Broe, UAntwerpen
‘Zin en onzin van ontwikkelingshulp’               

Aan de hand van voorbeelden wordt geïllustreerd dat ontwikkelingssamenwerking niet altijd zinvol is, dit zowel op niveau van overheidsinitiatieven (nationale en internationale) als op kleinere schaal. De meeste voorbeelden hebben verband met zwart Afrika  aangezien dat continent over de laatste twintig jaren de grootste bedragen toegestuurd kreeg,  met in de meeste gevallen weinig of geen overduidelijke resultaten voor de bevolking.
Er waait gelukkig een nieuwe wind doorheen de manier waarop samenwerking met 'emerging countries" zou moeten gebeuren.

 'Zin en Onzin van Ontwikkelingssamenwerking' (OWS)

Ik schets aan de hand van voorbeelden   dat heel wat OWS zinloos is dit zowel op niveau van overheidsinitiatieven (nationale en internationale) als op kleinere schaal. De meeste voorbeelden hebben verband met zwart Africa  aangezien dat continent over de laatste 20 jaren de grootste bedragen toegestuurd kreeg, met in de meeste gevallen weinig of geen palpabele resultaten voor de bevolking.

Er waait gelukkig een nieuwe wind doorheen de manier waarop samenwerking met 'emerging countries' zou moeten gebeuren.

Ik gebruik hierbij de teksten en de figuur van Dambisa Moyo een Zambiaanse jonge getalenteerde vrouw die baanbrekende boeken heeft gepubliceerd. Zij is een ex van Harvard en werkt nu voor het IMF. Ze kende de laatste jaren uitgebreide media aandacht. Er wordt  verder gebruik gemaakt van andere relevante recente  literatuur gegevens en de betere pers.

In het laatste deel bespreek ik drie voorbeelden  van degelijke  productieve OWS vanuit enkele NGO's met visie en goede administratie.

De hoofdboodschappen zijn

- we moeten allen veel kritischer worden wanneer we OWS steunen, humanitaire hulp is niet a priori integer en van kwaliteit . OWS  dient aan dezelfde normen te worden onderworpen als ieder ander project gemaakt door mensen , voor mensen.

- de tijd van het omzeggens onvoorwaardelijk steun verlenen is voorbij. Er is nood aan degelijke projecten met een realistisch doel , op aanvraag van de mensen uit de 'emerging'
landen, onderworpen aan strenge normen , regelmatige controle en verantwoording.

- we gaan er gelukkig globaal niet op achteruit maar de weg is nog lang in heel wat 'emerging countries'.

- hoe kunnen we zelf onmiddellijk bijdragen tot het verbeteren van de levensomstandigheden van de meerderheid van onze medemensen.

De inhoud van het  verhaal is voor een deel opgebouwd vanuit eigen ervaring, over de jaren heen, op het terrein.

Marc De Broe

 

 

 

Maandag 19 februari 2018
Mevr. Liesbeth Van Impe, Journalist
‘De wetstraat uit de doeken’

Het overzicht bewaren op het Belgisch politiek kluwen  is niet altijd evident. Wie zijn de belangrijkste politieke spelers en waarom nemen ze een welbepaald standpunt in? Welke belangen worden er echt verdedigd? Wat gebeurt er achter de schermen? Hoe ziet de toekomst van ons land eruit? Politiek journaliste Liesbeth Van Impe observeert, analyseert en rapporteert al jaren over de gebeurtenissen in de Wetstraat. Tijdens haar lezing schept ze voor u klaarheid in het politieke landschap.
 

Maandag 12 februari 2018
 Prof. Ilse Jonkers, KULeuven
‘Bewegen om te smeren…of te slijten?
Hoe het kraakbeenbelasting en beweging hand in hand gaan’
 
 

Bewegen om te smeren… of te slijten?
Hoe kraakbeenbelasting en beweging hand in hand gaan.

Ilse Jonkers, KU Leuven,
Departement Kinesiologie, Onderzoeksgroep Biomechanica van de menselijke beweging, 

Tijdens de verschillende activiteiten in het dagelijkse leven bewegen we vele jaren moeiteloos. Onze gewrichten lijken probleemloos om te gaan met de belasting tijdens deze bewegingen. Welk mechanisme zorgt hiervoor? Hoe groot zijn die belastingen? Kunnen deze belastingen schadelijk zijn op oudere leeftijd of bij ziekte?

Het gewrichtskraakbeen beschermt het bot tegen te hoge belasting.

Het gewrichtskraakbeen dat zich ter hoogte van de botuiteinden bevindt verdeelt de belasting over het ganse gewrichtsoppervlakte en vermijdt dat er hoge belastingen optreden die het bot kunnen beschadigen. Zelfs bij relatief hoge belastingen, zoals o.a. springen, zal het kraakbeen in de knie maar in geringe mate vervormen, dit voornamelijk dank zij zij specifieke structuur dat naast specifieke moleculen zoals proteoglycanen en collageen, ook veel water bezit. 

Hoe kennen we de gewrichtsbelasting tijdens beweging?

We kunnen de belasting in gewrichten enkel rechtstreeks meten aan de hand van invasieve metingen. Het gaat dan om belasting gemeten bij patiënten met geïnstrumenteerde heup- en knie prothesen of via intra-articulaire drukmetingen in kadavers. Het is duidelijk dat deze beide condities moeilijk een representatieve inschatting van de belasting in het gezonde gewricht geven. 

Anderzijds kunnen we de belasting tijdens de beweging wel inschatten door gebruik te maken van driedimensionale bewegingsanalyse data en musculoskeletale modellen. Aldus kan berekend worden welke spierkracht er nodig is tijdens de beweging en is bijgevolg ook de kracht in de gewrichten gekend. Om deze gewrichtskracht dan te vertalen naar de vervorming en rek binnen het kraakbeen tijdens beweging wordt gebruik gemaakt van eindige elementen analyses.

Gewrichtskraakbeen ondergaat grote belastingen tijdens beweging. 

De gewrichtsbelasting die optreedt tijdens het gaan is niet onbelangrijk: ter hoogte van de heup bedraagt deze 4 tot 5 keer het lichaamsgewicht, ter hoogte van de knie is deze iets lager en bedraagt ongeveer 3 keer lichaamsgewicht. Deze belastingen zijn zeker niet onbelangrijk want ze kunnen voor een persoon van 70 kg al snel oplopen tot 23 volle bierbakken Stella (15 kg) voor de heup. 

Bij minder belastende activiteiten zoals het rechtstaan uit een stoel belasten we de heup toch al snel tot 2.5 keer lichaamsgewicht. Bij meer dynamische activiteiten zoals lopen (12 km/h) loopt de belasting nog verder op en bereikt al snel op tot 9.5 keer lichaamsgewicht. 

Gewrichtsbelasting wijzigt wanneer gewrichtslijden aanwezig is.

Bij mensen met knie osteoartrose is de belasting in de knie duidelijk afwijkend: Tijdens de gangbeweging is niet alleen de grootte van de belasting toe genomen, maar zal de belasting ook anders inwerken waardoor specifieke anatomische gewrichtsstructurenmeer belast worden. 

We kunnen gewrichtsbelasting wijzigen door de beweging aan te passen.

Door de gangbeweging aan te passen is het mogelijk de belasting in het gewricht te wijzigen. Op basis van de voorgenoemde modelleringstechnieken werden specifieke strategieën voorgesteld die de belasting in de knie en de heup kunnen verminderen. Momenteel wordt in klinische studies nagegaan of deze gebruikt kunnen worden als bijkomend therapeutische interventie van gewrichtsaandoeningen.

Kraakbeen blijft gezond door belasting – een heel leven lang.

Belasting is essentieel voor het in stand houden van kraakbeen: Oefeningen met een matige intensiteit stimuleren de productie van moleculen die de dempende werking van kraakbeen verhogen. Bij toegenomen leeftijd zal kraakbeen dunner en stijver worden waardoor het belangrijk is om de belastingintensiteit goed af te stemmen. Echter, wanneer kraakbeen niet of minder belast wordt zal de dikte en structuur verder afnemen waardoor zijn beschermende functie naar het onderliggende bot nog verder afneemt.

Besluit:

Bewegingen van het dagelijkse leven zijn essentieel voor het behoud van gezonde gewrichten. (‘smeren’). 

 

Aanbevolen literatuur:

D’Lima, D.D.†, Fregly, B.J., and Colwell, C.W. (2013) Implantable sensor technology: measuring bone and joint biomechanics of daily life in vivo. Arthritis Research and Therapy 15, 203

D'Lima, D.D., Steklov, N, Fregly, B.J., Banks, S.A., and Colwell, C.W. (2008) In vivo contact stresses during activities of daily living after knee arthroplasty. Journal of Orthopaedic Research 26, 1549-1555.

Fregly, B.J., Reinbolt, J.A., Rooney, K.L., Mitchell, K.H., and Chmielewski, T.L. (2007) Design of patient-specific gait modifications for knee osteoarthritis rehabilitation. IEEE Transactions on Biomedical Engineering 54, 1687-1695



 

Maandag 29 januari 2018
Prof. Petra Van Brabandt, Karel de Grote Hogeschool
‘Terug naar de verloren tijd … over luiheid’

 

Hieronder een stukje uit de inleiding van onze voorzitter Parick Deruwe:

We kennen allemaal de fabel van Jean de la Fontaine (17de eeuw) waar de mier een voorbeeld aan werkzaamheid is tov de krekel die haar tijd heeft doorgebracht met zingen.
De luiheid is ook een van de 7 hoofdzonden (symbolen: de geit en de ezel).

Een aantal leuke citaten: 
De werkdag van de luiaard is altijd morgen, zijn rustdag het heden.
Een luiaard is een klok waaraan de twee wijzers ontbreken, even onnuttig of ze nu gaat of staat.

 

 

Maandag 22 januari 2018
Prof. Lieven Annemans, UGent
‘Blijft onze gezondheidszorg betaalbaar?’
 
 
   

Maandag 8 januari 2018
Prof. Magda Devos,UGent
‘De regenboog van de Vlaamse dialecten’

 

Onderwerp van de lezing De regenboog van de Vlaamse dialecten

Prof. Magda Devos, Universiteit Gent

Het dialectlandschap in Vlaanderen is buitengewoon versnip¬perd. Er is West-Vlaams, Oost-Vlaams, Brabants, Antwerps en Limburgs, maar binnen elk van die dialectfamilies bestaat er nog een grote verscheidenheid. Dat is niet altijd zo geweest. Vandaag is er bij voorbeeld sprake van twee soorten Vlaams (West- en Oost-Vlaams), maar tot na de middeleeuwen bestond er maar één Vlaams, dat gesproken werd tot aan de Schelde in het Waasland en de Dender in Zuid-Oost-Vlaanderen, waar het Brabantse dialectgebied begint. Van dat oude Vlaams is het tegenwoordige West-Vlaams de directe erfgenaam: het heeft de klankstructuur van het middeleeuwse Vlaams grotendeels bewaard. De oude Vlaamse taaleenheid ging verloren doordat oostelijk Vlaanderen onder Brabantse invloed een aantal taalvernieuwingen kende waaraan het westen niet deelnam. Die vernieuwingen waren zo ingrijpend dat ze het oude, homogene Vlaamse landschap in tweeën hebben gekliefd.  Voortaan vormden het conservatieve West-Vlaams en het vernieuwingsgezinde Oost-Vlaams twee aparte dialectfamilies. Hoewel het West-Vlaams een veel grotere eenheid vertoont dan het Oost-Vlaams, heeft het niettemin heel wat verscheidenheid ontwikkeld, zodat we vandaag kunnen spreken van drie of vier West-Vlaamse subdialecten. 

In de lezing wordt op een boeiende en voor iedereen begrijpelijke manier verteld hoe die grote versnippe¬ring van het Vlaamse dia¬lectlandschap in de loop van de eeuwen tot stand is gekomen. Bijzondere aandacht gaat uit naar de tegenstellingen binnen het West-Vlaams (en eventueel ook het Oost-Vlaams). 

De uiteenzetting wordt geïllustreerd met een reeks kaartjes waarop de spreiding van dialectkenmerken staat afgebeeld.

Wie is Magda Devos?

Prof. dr. Magda Devos is ere-professor van de Universiteit Gent. Voor haar pensioen was ze hoofddocent in de Nederlandse taalkunde en gaf ze les aan de studenten in de opleiding Nederlands. Ze doceerde verschillende vakken, o.m. Nederlandse grammatica, historische grammatica, dialectologie en naamkunde. Haar onderzoek betreft voor een groot deel de Vlaamse dialecten. Ze promoveerde in 1990 tot doctor met een proefschrift over de benamingen van het bouwland in de Vlaamse dialecten vanaf de oudste geschreven bronnen tot heden. Dat werk is ook als boek uitgegeven. Ze was jarenlang de projectleider van het Woordenboek van de Vlaamse dialecten, dat aan de universiteit van Gent wordt samengesteld door een team van redacteuren, en waarin de woordenschat van West-, Oost-Frans- en Zeeuws-Vlaanderen wordt verzameld. Dat woordenboek verschijnt in afleveringen (al 26 tot nu toe). In 2005 publiceerde ze bovendien tezamen met Reinhild Vandekerckhove bij Lannoo (Tielt) een boekje over het West-Vlaams. Daarnaast verricht ze ook onderzoek naar plaatsnamen of toponiemen. Ze publiceerde verschillende dorpsmonografieën over plaatsnamen in het Meetjesland en ze is ook één van de auteurs van het in 2010 bij het Davidsfonds verschenen boek De Vlaamse gemeentenamen, een verklarend woordenboek.

Antwoorden op gestelde vragen van onze UDL-leden

Oorsprong van blaffetuur

Blaffetuur komt uit Oudfrans blaveture, een afleiding op -ure van blavet, dat ‘bleek’ of ‘blauwachtig’ betekent. Oorspronkelijk waren luiken vervaardigd van geolied doek, perkament of papier, zodat ze een zwak, bleek licht doorlieten. Het woord verschijnt voor het eerst in een Nederlandse bron uit 1390, waarin sprake is van 4 ellen blaeftuerlakens “4 el vensterlaken”. Hier slaat het dus op een soort textiel waaruit men vensterblinden maakt. In de betekenis die we vandaag nog kennen, nl. ‘vensterluik’, wordtblafture voor het eerst aangetroffen in 1462: blaftueren aen de vensteren.

Vermeldenswaard is dat het Oudfranse woord blavet  een verkleinwoord is op –et van het Oudfranse blave, dat zelf al heel vroeg aan het Germaans (Frankisch) blauo werd ontleend en dat ‘blauw’ betekent. In het Nederlands evolueerde blauo tot blauw, in het Frans ontwikkelde zich de leenvorm blave tot bleu.

Is er een verband tussen het Vlaamse versterkend bijwoord vree(d) en het Engelse bijwoord very ?

Neen, het zijn totaal verschillende woorden. Vree(d) is hetzelfde woord als wreed, het is van Germaanse origine. Engels very is ontleend aan Oudfrans verai, de voorloper van het huidige Franse adjectief vrai. Zowel het Oudfranse als het Engelse woord betekenden o.m. ‘waar, echt, reëel’.

 

 

Maandag 18 december 2017

Prof. Patrick Loobuyck, UAntwerpen
 ‘ Samenleven met gezond verstand’

 

Samenleven met gezond verstand

Er gebeuren vandaag veel dingen die het samenleven ronduit ingewikkeld maken. Aanslagen, vluchtelingen, populisme: ieder schreeuwt zijn onzekerheid en angst uit. En de debatten gaan hard tegen hard, op tv, in het parlement, op Facebook, op kantoor of in de huiskamer. Het gevolg daarvan is dat we dreigen te vergeten hoe we kunnen samenleven. 

We mogen ons niet uit elkaar laten spelen, schrijft Patrick Loobuyck. Daarvoor moeten we elkaar ernstig nemen en op zoek gaan naar een verbindend verhaal. We hebben een brede consensus nodig die de samenleving schraagt en vertrouwen geeft. In Samenleven met gezond verstand verheldert en concretiseert Patrick Loobuyck de morele uitgangspunten en de sociale mechanismen van ons samenlevingsmodel: vrijheid, gelijkheid, wederkerigheid en solidariteit. Redelijkheid kan ons redden.

https://www.polis.be/samenleven-met-gezond-verstand.html#gref 


 

Maandag 11 december 2017
Dhr. Prakash Goossens, Fracarita International
  ‘India: een paradoxale wereldmacht geketend door religie, genderongelijkheid en kastensysteem’

Door de winterse toestand op de wegen in Vlaanderen is de spreker niet tot in Brugge kunnen komen. Wij zorgden voor een vervangingsprogramma met volgende film.

De titel: The best exotic Marigold Hotel (Judi Dench, Bill Nighy, Tom Wilkinson, Maggie Smith, Dev Patel)

Duur: 119 min.
Een groep gepensioneerden trekt zich terug in het Indiase Jaipur om voor weinig geld een luxueus leven te leiden in het Marigold Hotel. Luxe vinden de gepensioneerden niet in India, maar wel verrassende levenslessen, rust en liefde. 
 

Maandag 13 november 2017
 Dhr. Pieter Knapen,
 Raad voor de Journalistiek 
‘Schrijft een journalist zomaar wat hij wil? Persvrijheid en beroepsethiek in de Vlaamse media’
                      

Schrijft een journalist zomaar wat hij wil? 'Persvrijheid en beroepsethiek in de Vlaamse media'

De vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid zijn verankerd in de Belgische grondwet en in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Belgische grondwet:

Art. 19. De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd.

Art. 25. De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd; geen borgstelling kan worden geëist van de schrijvers, uitgevers of drukkers. Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd.

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens:

Art. 10.

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet dat Staten niet radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van ‘s lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

De persvrijheid is dus gewaarborgd, en dat is belangrijk. De pers speelt een cruciale rol in een democratie en is, naar de woorden van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de waakhond van de democratie. Die rol wil en moet de pers uitoefenen op een verantwoordelijke manier, en ze moet daar ook rekenschap voor afleggen. Zoals altijd gaan vrijheid en verantwoordelijkheid hand in hand, en gaan rechten gepaard met plichten.

De rechten zijn gegarandeerd, en de vraag is dan wie de plichten bewaakt. Wie bepaalt en bewaakt de normen voor verantwoord journalistiek handelen. Om de persvrijheid niet in het gedrang te brengen en maximaal te vrijwaren, zijn journalisten, media én politiek voorstander van een systeem van zelfregulering, en dus niet van overheidsregulering. De overheid kan wel bepaalde regels opleggen, maar doet dat best minimaal. Een overheid die zich bezighoudt met de inhoud van pers en journalistiek, brengt de persvrijheid in het gedrang. Kijk maar naar landen als Hongarije, Turkije en Rusland.

Maar een minimum aan overheidsregulering betekent niet dat de pers zo maar haar gangen kan gaan. Om die redenen hebben journalisten en media kort na de eeuwwisseling een systeem van zelfregulering opgezet, zoals dat in andere Europese landen al langer bestaat.

Systemen van zelfregulering bestaan voor verschillende beroepsgroepen, zoals artsen, advocaten, architecten enz. Een aantal van die ordes zijn bij wet opgericht en fungeren als tuchtorganen, die ook sancties opleggen. De Raad voor de Journalistiek doet dat niet en is niet bij wet opgericht. Het is een zuiver systeem van zelfregulering.

De Raad voor de Journalistiek is eind 2002 opgericht na onderhandelingen tussen enerzijds journalistenverenigingen en anderzijds (verenigingen van) uitgevers, omroepen, persagentschappen en productiehuizen (verder kortweg uitgevers genoemd).

De Raad heeft een drievoudige opdracht. Zoals gezegd wil hij de persvrijheid beschermen via een systeem van zelfregulering. Daarnaast is de Raad een platform voor reflectie over journalistieke beroepsethiek en biedt hij met de journalistieke code een leidraad aan journalisten voor goed en verantwoord journalistiek handelen. Ten slotte behandelt de Raad klachten en vragen van burgers en organisaties die menen dat journalistieke handelingen, artikels of reportages niet stroken met de beroepsethische code.

De Raad voor de Journalistiek telt achttien leden en achttien plaatsvervangers en is samengesteld uit drie groepen die respectievelijk de journalisten, de uitgevers en de samenleving vertegenwoordigen. De vertegenwoordiging van de samenleving is belangrijk om journalisten en uitgevers een spiegel voor te houden en om te vermijden dat mediaprofessionals alles onder elkaar zouden regelen.

De Raad vergadert elke maand. Hij beraadslaagt en beslist over actualiseringen of wijzigingen van de code en over klachten. Bij klachten zal de ombudsman altijd eerst nagaan of de klacht minnelijk geregeld kan worden. De Raad vindt zulke minnelijke regelingen belangrijk, niet om zaken onder de mat te vegen, maar om het vertrouwen te herstellen tussen klager en journalist of medium. Een klacht betekent immers een vertrouwensbreuk. Eerder dan een uitspraak te doen over een klacht, biedt een minnelijke regeling de mogelijkheid om het vertrouwen tussen klager en journalist of medium te herstellen door een regeling waarin beide partijen zich kunnen vinden. Tussen 30 en 40 procent van de klachten worden minnelijk geregeld. Minnelijke regelingen zijn altijd inhoudelijk van aard, het gaat nooit over geld of schadevergoedingen.

Indien een minnelijke regeling niet mogelijk is, doet de Raad voor de Journalistiek een uitspraak, na beide partijen gehoord te hebben, zowel schriftelijk als mondeling op een hoorzitting. De uitspraken van de Raad zijn morele uitspraken. De Raad legt geen sancties op, trekt geen perskaarten in of kent geen schadevergoedingen toe. Maar de morele uitspraken van de Raad hebben wel het nodige gewicht. Vooreerst gaat het om uitspraken van de volledige beroepsgroep, zowel journalisten als uitgevers, die via hun vertegenwoordigers in de Raad beslissen of een klacht gegrond is of niet. De uitspraken zijn dus zeer breed gedragen. Daarnaast publiceert de Raad ook al zijn beslissingen via diverse kanalen. Bovendien publiceert ook het medium waarover de klacht gaat een korte samenvatting van de uitspraak die door de Raad wordt geschreven en goedgekeurd. De Raad is dus volledig transparant over zijn beslissingen en de publicatie van de uitspraken.

Het systeem van klachtenbehandeling via zelfregulering biedt voordelen voor zowel het publiek als voor journalisten en media. Voor het publiek verloopt een klacht via de Raad voor de Journalistiek makkelijker en sneller dan een gerechtelijke procedure. Voor de individuele klager is de procedure zeer laagdrempelig en bovendien gratis. Voor het publiek in het algemeen biedt de procedure een vorm van kwaliteitscontrole op de pers en op journalistiek handelen.

Ook voor journalisten en media biedt het systeem voordelen. Vooreerst voorkomt het overheidsinmenging in de journalistiek. Het voorkomt of reduceert ook meer ingewikkelde en dure  gerechtelijke procedures en het ondersteunt en verbetert het vertrouwen in de media.

De Raad voor de Journalistiek oordeelt op basis van zijn code, die zoals alle internationale codes opgebouwd is rond vier basisprincipes:

  • waarheidsgetrouwheid;
  • onafhankelijkheid;
  • fair play;
  • respect voor menselijke waardigheid en privacy.

Deze vier basisprincipes zijn uitgewerkt in 27 artikels en in een aantal richtlijnen, die sommige artikels verder concretiseren rond welbepaalde thema’s.

De Raad spreekt zich enkel uit over de naleving van de beroepsethiek, niet over de naleving van wetten, decreten en rechtsregels. Dat is de bevoegdheid van het gerecht.

De volledige tekst van de code van de Raad voor de Journalistiek is te vinden op http://www.rvdj.be/code-raad-voor-de-journalistiek en downloadbaar in PDF op http://rvdj.be/sites/default/files/pdf/code-rvdj.pdf.

Contactgegevens

Raad voor de Journalistiek
IPC – Résidence Palace 3/217
Wetstraat 155, 1040 Brussel
02/230.27.17
info@rvdj.be
www.rvdj.be

Maandag 6 november 2017
 Prof. Wannes Keulemans, KULeuven
Zal er in 2050 voldoende voedsel zijn voor de wereldbevolking? Duurzame voedselzekerheid  onder druk

'Zal er in 2050 genoeg voedsel zijn voor de wereldbevolking?Duurzame voedselzekerheid onder druk'

Inhoud

Voedselzekerheid berust op 4 componenten: voldoende voedsel, toegankelijk voedsel, gezond voedsel en een stabiel voedselsysteem. Voedselzekerheid impliceert op korte termijn niet noodzakelijk dat dit voedsel ook duurzaam wordt geproduceerd.

De voedselzekerheid is vooral in Afrika een groot probleem; dit is niet allee een gevolg van armoede, maar heeft vooral structurele oorzaken. Nochtans wordt in de wereld meer dan genoeg voedsel geproduceerd, maar het is slecht verdeeld. In tegenstelling tot wat Malthus 200 jaar geleden voorspelde, gaat de productiestijging sneller dan de bevolkingsstijging, vooral dank zij in gebruik name van meer grond, betere rassen en betere teelttechnieken. Is er vandaag voedsel genoeg, dan is dit veel minder zeker of dit zo zal blijven: men verwacht dat de voedselbehoefte tegen 2050 minstens zal verdubbelen, niet alleen omwille van een stijging van de bevolking van 7 miljard tot ongeveer 10 miljard, maar ook omwille van een veranderd voedselconsumptiepatroon. Per persoon zal de consumptie van vlees immers toenemen en voor veeteelt is nu eenmaal veel land nodig, dat er eigenlijk niet is. Vooral in Afrika ziet de toekomst er niet rooskleurig uit.

Toch is er aanzienlijk stijging van de productie van landbouwgewassen mogelijk wanneer de productiekloof kan verkleind worden; dit is het verschil tussen de werkelijke productie en de potentiële productie op een bepaalde plaats. Op heel wat landbouwgronden ligt de productiviteit veel te laag. Vooral in ontwikkelingslanden is er nog veel verbetering mogelijk. Zo is de huidige zelfvoorzieningsgraad in Nigeria vandaag 0.6, maar door optimalisatie van cultuurtechnieken zou deze kunnen stijgen tot 1.2. Twee hoofdoorzaken voor deze productiekloof zijn te weinig input in het productiesysteem en de politieke keuzes (of niet-keuzes). Bovendien gaat er in de wereld veel voedsel verloren. Hierover bestaat weinig goede cijfers, maar volgens de Wereld Voedsel Organisatie FAO) gaat bijna de helft van ons voedsel verloren. Daarnaast is de productie van landbouwgewassen voor energievoorziening een echte bedreiging voor de voedselzekerheid. Deze (politieke) keuze moet wereldwijd zeker in vraag gesteld worden, want de netto energieopbrengst van deze gewassen is bedroeven laag. Zoals hogerop werd aangegeven zal de behoefte aan vlees duidelijk toenemen. Dit zal een grote druk leggen op het landgebruik. Vandaag wordt reeds meer dan 70% van het landbouwareaal gebruikt voor de veeteelt. Een andere bedreiging is de klimaatsverandering: in veel gebieden zal de productiviteit stijgen, in andere gebieden, waaronder Afrika, zal de productie afnemen. Globaal wordt het hopelijk een status-quo. Maar de verschuiving van productiegebieden zullen zeker voor de nodige spanningen zorgen.

De productie zal moeten verduurzamen: we zullen de ontbossing moeten tegengaan; bemesting kan vooral voor fosformeststoffen een probleem worden, tenzij efficiënte recuperatiesystemen ontwikkeld worden; we zullen waterverliezen moeten beperken en  zuiniger met energie moeten omgaan. Ook een reductie van de veestapel of een verandering in de soorten vee die geteeld worden dienen zich aan. Omwille van milieuoverwegingen zal de input van bemesting en de ziektebestrijding moeten geoptimaliseerd worden.

Landbouw en natuur gaan niet samen en ze worden ruimtelijk best gescheiden. Elke vorm van landbouw veroorzaakt een drastische vermindering van de biodiversiteit en de winst van meer extensieve landbouwsystemen is beperkt. Verweven van landbouw en natuur is dus geen goede optie. Europa maakt op dit gebied een foute keuze.

Alternatieve productiesystemen, zoals biolandbouw, agro-ecologische landbouw, agroforestry of Community Supported Agriculture staan nog in hun kinderschoenen en zijn vandaag geen alternatief voor het huidig landbouwsysteem. Ook de milieuwinst van deze alternatieve systemen is weinig bestudeerd en niet duidelijk.

We leven is een geglobaliseerde wereld in dit geldt zeer zeker voor Vlaanderen dat een zeer belangrijke speler is in import en vooral export van landbouwproducten. Niet alleen daarom, maar ook omwille van te weinig landbouwgrond, is het onmogelijk dat Vlaanderen zelfvoorzienend zou worden voor voedsel. Globalisering kan ook meer stabiliteit brengen in het voedselsysteem.

Voedselconsumptie ligt aan de basis van veel gezondheidsproblemen,: voedseltekort en onevenwichtige voeding leiden bijvoorbeeld tot dwerggroei, maar obesitas is wereldwijd een groter probleem, ook in ontwikkelingslanden. Voedseltekort en onevenwichtige voeding zijn maar twee aspecten van duurzame voeding, maar ook impact op biodiversiteit en milieu, culturele gewoonten, lokaal geproduceerd voedsel en het fairtrade gehalte spelen een belangrijke rol. Het is duidelijk dat niet al deze aspecten kunnen verzoend worden, wat ook zo is voor duurzame landbouw. Belangrijke stappen naar duurzaam voedsel zijn vermindering (in het westen) van de dierlijke voedselconsumptie en vermindering van de voedselverliezen en -verspilling.

De presentatie geeft uiteraard een onvolledig beeld van de problematiek. Een belangrijke tekortkoming is het gebrek aan goede gegevens die een sereen debat bemoeilijken. De verwachtingen en belangen van de verschillende betrokkenen en drukkingsgroepen zijn ook dikwijls heel verschillend, wat het gebrek aan goede data nog eens extra accentueert. Dikwijls primeert de overtuiging en het gevoel op de ratio en de objectiviteit van de data. Maar de cruciale punten zijn opdrijven van de productiviteit per ha in een globale context, het verminderen van de milieudruk en de inzet van natuurlijke hulpbronnen en een meer rechtvaardige  verdeling van het voedsel. Al deze aspecten vragen een visie en beleidskeuzes op lange termijn en geen politiek opportunisme op korte termijn.

 

Bijkomende informatie

Visietekst metaforum: http://www.kuleuven.be/metaforum/page.php?LAN=N&FILE=wg_docs

Boek “Wat met ons voedsel” Tessa Avermaete en Wannes Keulemans, Lannoo (2017)

 

CV Wannes Keulemans

Wannes Keulemans is hoogleraar, verbonden aan de Faculteit Bio-ingenieurs-wetenschappen, en doceert genetica, veredeling en biotechnologie, fysiologie van landbouwgewassen, en algemene landbouwvakken. Hij leidt het Laboratorium voor Fruitveredeling en -biotechnologie en het Fruitteeltcentrum KULeuven. Hij is medeoprichter va het spin-off bedrijf Better3fruit waar nieuwe appelrassen ontwikkeld worden, zoals Kanzi, waarvan wereldwijd al 7.5 miljoen bomen geplant zijn. Wannes Keulemans hecht veel belang maatschappelijke dienstverlening: de wetenschap naar de maatschappij brengen. Vanuit die overtuiging was hij coördinator van een Metaforumwerkgroep rond voedselzekerheid en (mede)promotor van het recente eredoctoraat van Louise Fresco. Hij geeft voordrachten voor een breed publiek over de voedselproblematiek, vooral in Vlaanderen.

Maandag 23 oktober 2017
Dhr. Brieuc Van Damme,
 Econoom
‘Het Grijze Goud: hoe de kansen van de vergrijzing verzilveren’

Al te vaak wordt het vergrijzingsverhaal in termen van lasten en kosten gebracht, terwijl het ook een verhaal is van lusten en baten. Ouderen genieten steeds langer van meer gezonde levensjaren en keren het klassieke rusthuismodel bewust de rug toe. In de mate van het mogelijke zelf de regie in handen krijgen van hun derde leeftijd, daar willen steeds meer ouderen naar toe. Welke zijn de mogelijkheden voor de ouderen en hoe moet het beleid zichzelf heruitvinden om een antwoord te bieden aan de veranderde demografische, sociologische en economische realiteit? Waar zitten de valkuilen en wat biedt de toekomst? Dankzij de juiste maatregelen kunnen we de vergrijzing verzilveren!
 

 Maandag 9 oktober 2017

Dhr. Luc Goeteyn, Ovam

‘Hoe klimaatveranderingen beschavingen te gronde richten’

 

Wat is de relatie tussen klimaatveranderingen in het verleden en de maatschappelijke evoluties die de menselijke geschiedenis hebben gekenmerkt? Uit die analyse blijkt dat kleine klimaatveranderingen grote gevolgen kunnen hebben. We  bekijken ook de klimaatverandering waar de mens nu mee geconfronteerd wordt en waar hij zelf in grote mate de oorzaak van is. Uit de ervaringen van het verleden kunnen we belangrijke lessen trekken die ons kunnen helpen om de uitdagingen van de toekomst aan te gaan. De mens zal immers al zijn creativiteit en leervermogen nodig hebben om onder het oog van de nakende klimaatstorm uit te komen.
 

Maandag 2 oktober 2017
Prof. Steven Bouckaert, KULeuven
‘Vluchtelingen en recht, het recht op de vlucht?
                  

Vluchtelingen en recht, het recht op de vlucht?

Wie nood heeft aan bescherming, kan in België asiel aanvragen. Asiel is een vorm van internationale bescherming voor personen die hun land van herkomst hebben verlaten omdat ze er vervolgd worden omwille van hun nationaliteit, ras, politieke of religieuze overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Ook personen die strikt gezien niet vallen onder de definitie van het VN-Vluchtelingenverdrag, maar die bij een eventuele terugkeer naar hun land van herkomst een reëel risico lopen op ernstige schade, kunnen bescherming krijgen, onder de noemer subsidiaire bescherming. Ernstige schade is doodstraf of executie; foltering, onmenselijke of vernederende behandeling; een ernstige bedreiging van het leven van een burger door willekeurig geweld in geval van een gewapend internationaal of binnenlands conflict.

Het Belgisch asielrecht steunt op het VN-Vluchtelingenverdrag. Daarnaast is het Belgisch asielrecht ook de toepassing en uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel. De basisdoelstelling van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel is dat elke derdelander (niet-EU-onderdaan), ongeacht in welke lidstaat hij zijn verzoek om internationale bescherming indient, recht heeft op een gelijkaardige behandeling van zijn asielprocedure en een gelijkwaardige opvang. Om dit te realiseren wordt sinds 1999 werk gemaakt van de harmonisering van het Europese asielsysteem via een tweesporenbeleid: Europese wetgeving en praktische samenwerking. In de praktijk is er echter nog geen sprake van gelijkwaardige omstandigheden en asielstelsels in de Europese Unie. Niettemin gelden er in de lidstaten van de Europese Unie dezelfde minimumnormen zoals vastgelegd in de Europese richtlijnen.

Het thema van (het) asiel(recht) staat sinds de zomer van 2015 opnieuw erg prominent op de maatschappelijke agenda. Het aantal asielaanvragen in die periode (vooral tussen juni en december 2015) steeg spectaculair. Niet alleen in België, waar voor heel 2015 ruim 35.000 aanvragen werden genoteerd, waaronder bijna 4.000 aanvragen van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, maar ook in verschillende andere EU-lidstaten. Hoewel ons land in het verleden reeds eerder geconfronteerd werd met een hoog aantal asielaanvragen (onder meer in 1993 en in 1999-2000), verschilt de situatie in 2015 hiervan op minstens twee vlakken: (a) de landen van herkomst van waaruit de meerderheid van de aanvragers afkomstig is (Afghanistan, Syrië en Irak) en (b) het relatief hoog percentage positieve beslissingen (meer dan 50 procent van de aanvragen wordt ingewilligd). 

Naar aanleiding van de forse toename van het aantal asielaanvragen in 2015 zijn er in het publieke debat diverse voorstellen en denkpistes gelanceerd om het regelgevend kader ter zake, al dan niet radicaal, aan te passen. Sommigen hebben daarbij gepleit om het Vluchtelingenverdrag op te zeggen. Andere voorstellen betroffen het ontzeggen, toch in een eerste fase van verblijf in België, van (bepaalde) sociale rechten aan asielzoekers en erkende vluchtelingen (kinderbijslag, leefloon). Evengoed werd bepleit om asielzoekers zo snel mogelijk toe te laten om op een legale wijze te werken. Met nog andere voorstellen beoogde men om de (verblijfs)bescherming in België een meer tijdelijk of voorlopig karakter te verlenen en te laten afhangen van eventueel positieve ontwikkelingen in de landen van herkomst. Ook rond het voeren van een meer consistent verwijderings- of terugkeerbeleid jegens wie uitgeprocedeerd is, zijn er denkpistes geformuleerd.  

In onze uiteenzetting bekijken we van welke denkpistes en voorstellen uiteindelijk ook op juridisch vlak (via nieuwe regelgeving) werk is gemaakt. Tegelijk willen we nagaan in welke mate grondrechten en/of Europese bepalingen de ruimte voor (nationale) wetgevers afbakenen en inperken en of dit mogelijks verklaart waarom een aantal andere denkpistes en voorstellen geen omzetting naar regelgeving hebben gekend.

We starten met een schets van het regelgevend kader in verband met de asielprocedure. Hoe verhoudt de asielprocedure zich tegenover andere verblijfsmogelijkheden voor vreemdelingen? Welke instanties zijn betrokken bij de behandeling en het onderzoek van asielaanvragen? Welke (sociale) rechten en plichten genieten vreemdelingen tijdens het onderzoek van hun asielaanvraag? Welke rechten en plichten gelden er voor vreemdelingen van wie de asielaanvraag wordt ingewilligd? Hoe is de status geregeld van vreemdelingen van wie de aanvraag wordt afgewezen?

Nadien bekijken we enkele recente wijzigingen in het asielrecht, zowel in regelgeving als in beleid, die in reactie op de asielcrisis van 2015 zijn ingevoerd. We beperken ons hierbij tot drie grote thema’s: (a) het openstellen en/of beperken van sociale bescherming voor asielzoekers en erkende vluchtelingen; (b) de integratie en participatie van asielzoekers en erkende vluchtelingen en (c) de terugkeer en verwijdering van uitgeprocedeerde asiel-zoekers. 

Uit onze uiteenzetting zal blijken dat deze wijzigingen, al bij al, relatief beperkt zijn gebleven. Een en ander houdt verband met het feit dat de marge voor de wetgever en de uitvoerende macht om erg radicale beleidsveranderingen door te voeren steeds kleiner is geworden in het domein van het asiel- en vreemdelingenrecht, dit (onder meer) door de doorwerking van grondrechten in de rechtspraak van zowel Europese als nationale rechtscolleges.

 

Nuttige achtergrondliteratuur:

S. BOUCKAERT, “Grondrechten en minimumvoorzieningen. In welke mate zijn verschillen in behandeling op basis van nationaliteit of verblijfsstatus nog toegelaten?”, in A. VAN REGENMORTEL en H. VERSCHUEREN (eds.), Grondrechten en sociale zekerheid, Brugge, die Keure, 2016, 349-399.  

S. BOUCKAERT, “Het Belgische vreemdelingenrecht 2012-2015: enkele markante wijzigingen”, in VRG-Alumni (red.), Recht in beweging, Maklu, Antwerpen-Apeldoorn, 2015, 433-455.

Maandag 25 september 2017
Prof. Georges Martyn, UGent
‘De Kunst van het Recht: waarom Vrouwe Justitia geblinddoekt werd’

Georges Martyn is geboren in 1966 in Avelgem, waar hij lagere en middelbare school liep in het Sint-Jan Berchmanscollege. Hij volgde nadien de opleidingen rechten en middeleeuwse studies aan de KULAK en de K.U.Leuven, waar hij ook assistent was van 1990 tot 1997. In 1996 verdedigde hij er zijn doctoraatsverhandeling over de geschiedenis van het privaatrecht in de vroegmoderne Zuidelijke Nederlanden. Hij is gehuwd met An Clarysse en vader van Lander en Klaas. Hij was jarenlang advocaat aan de balie van Kortrijk, nu ere-advocaat van de Gentse balie. Hij is tevens plaatsvervangend vrederechter. Professor Martyn doceert aan de Gentse rechtsfaculteit verscheidene rechtsgeschiedenis- en rechtsinleidende vakken. Hij publiceert over de geschiedenis van de instellingen, de receptie van het Romeinse en canonieke recht, de juridische beroepen en de iconografie en iconologie van het recht.

Samenvatting van de lezing

Van oktober 2016 tot februari 2017 liep in het Groeningemuseum de zeer gesmaakte tentoonstelling ‘De Kunst van het Recht. Drie eeuwen gerechtigheid in beeld’. Daarin werd aan de hand van schilderijen, grafiek en objecten het verhaal van de kunstzinnige voorstelling van recht en gerecht verteld. In de middeleeuwse gerechtszalen hingen afbeeldingen van het Laatste Oordeel, maar ook van gerechtigheidsvoorbeelden zoals het Salomonsoordeel en het Oordeel van Daniël over de Kuise Suzanne. In Brugge is natuurlijk vooral Gerard Davids tweeluik bekend over de strenge koning Cambyses, die een corrupte rechter levend liet villen. In de tentoonstelling kwam in de laatste zaal ook Vrouwe Justitia aan bod, een allegorie die vooral vanaf de Renaissance populair werd en ook vandaag nog in kunst en cartoons verbeeld wordt.

Georges Martyn, die mee schreef aan de catalogus van de Brugse tentoonstelling, gaat in zijn lezing dieper in op de symbolieken van recht en gerecht: Waarom is in de mannenwereld van de rechtspraak van het Ancien Régime een vrouw symbool van justitie? Waar komen haar zwaard en weegschaal, maar vooral haar blinddoek vandaan? Een blinddoek was eeuwen een typisch negatief symbool in de kunst (Cupido en Fortuna bijvoorbeeld zijn geblinddoekt, of Synagoga). Maar als het over recht gaat, dan krijgt datzelfde symbool de positieve betekenis van de onpartijdigheid… Alhoewel! De alleroudste voorstellingen van een geblinddoekte Vrouwe Justitia zijn satirisch bedoeld. De voordracht gaat, aan de hand van tientallen kunstwerken uit het Ancien Régime, op zoek naar de historische wortels van een nog steeds populaire symboliek. We leren de betekenis achter bepaalde attributen en personages kennen.

In de voordracht komt onder meer de Brugse jurist Joos de Damhouder aan bod, die zijn eigen werk met illustraties verrijkte en ook schreef over de rol van de blinddoek. De blinddoek werd precies in de periode van Damhouder populair. Humanisten waren zelfs verrast over de wijzigende betekenis van een eeuwenoud symbool en zochten naar verklaringen, in de geschriften uit de Griekse en Romeinse Oudheid, alsook in de eigen geschiedenis. Eigenaardig genoeg vond men in de Bijbel passages voor zowel ‘goed kijkende’ als ‘geblinddoekte’ justitia’s.

In deze voordracht komen de geschiedenis van het recht, van de kunst, van de religie en van de literatuur samen. Ondersteund door vele voorbeelden uit de Brugse en vele andere musea leren we op een andere manier kijken naar kunstwerken. 

Breng uw bril mee en laat de blinddoek thuis.