Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

UDL Lezingen - Syntheseteksten - Vorige werkjaren

Lezingen en syntheseteksten vorige werkjaren
 
Academiejaar 2009-2010
 
1 Em. Prof. Jaak Billiet:  ‘Over de geloofwaardigheid van opiniepeilingen rond stemintenties’.
2 Mark Van de Voorde: ‘De media en hun maatschappelijkl (dis)functioneren’.
3 Em. Prof. André Huyghebaert: ‘De kwaliteit van onze voeding’.
4 Jos Vandenbreeden, dir. Sint-Lucasarchief: ‘Over de doelmatige architectuur van Huib Hoste’.
5 Sylvie Carette (Autisme Centraal): ‘Autisme, een handicap met veel gezichten’.
6 Em.Prof. K. De Clerck: ‘50 jaar universitaire expansie in België’.
7 Prof. J. Tytgat: ‘Wel en wee van drugs in onze maatschappij: Een toxicologische kijk’.
 
 
Academiejaar 2010-2011
 
 8 Prof. Dirk De Wachter: ‘Zingeving als fundamentele uitdaging voor de postmoderne mens?’. 
 9 Jonathan Holslag: ‘India: Lotus in de modderpoel?’.
10 Em. Prof. Herman De Dijn: 
     ‘Moet ethiek zich aanpassen aan (nieuwe) wetenschappelijke inzichten?’.
11 Em. Prof. Jean-Jacques Cassiman: 
    ‘Van Homo Erectus en andere verhalen: 
     Bijdrage van DNA tot ons inzicht in de evolutie van de Homo’.
12 Prof. Hans Bruyninckx: ‘China, globalisering en ecologie’.
 
 
Academiejaar 2011-2012
 
13 Alain Remue: ‘Achter de cel vermiste personen’.
14 Noël Selis: ‘De zelfontplooiing uitgedaagd: over generaties en waarden’.
 

Over de geloofwaardigheid van opiniepeilingen rond stemintenties

Em. Prof. Jaak Billiet

Inleiding
Onderzoek naar wat in de publieke opinie leeft is niet zo eenvoudig als het lijkt. Men moet niet alleen over de kennis, ervaring en kunst beschikken om de vragen en de antwoordalternatieven op een adequate wijze te verwoorden, maar bovendien moet men over het nodige statistische inzicht beschikken om op een correcte en betrouwbare wijze uitspraken over opinies in de bevolking te doen op basis van een beperkte steekproef. Ik krijg de indruk dat tegenwoordig in de media geen onderscheid gemaakt wordt tussen betrouwbaar gemeten opinies en voorkeuren bij de bevolking enerzijds en fictie anderzijds. Meer zelfs, de media dragen zelf duchtig bij tot het creëren van fictie. 
Nathalie Sonck van onze onderzoeksgroep onderzocht de rapportering over opiniepeilingen in de Vlaamse kranten van 2000 tot 2006 en stelt daarbij een enorme toename vast van 227 bijdragen in 2000 naar 1.473 in 2006, met in 2004 en 2006 telkens een verdubbeling ten opzichte van de vorige twee jaar. Deze toename van peilingen is mede het gevolg van de beschikbaarheid van het internet waardoor snelle en relatief goedkope webenquêtes mogelijk zijn bij grote aantallen ondervraagden. De betrouwbaarheid van zulke onderzoeken daalt navenant omdat het dan vaak om onderwerpen gaat waarvoor dit medium vooralsnog ongeschikt is. Voor dezelfde periode werd ook de mededeling van noodzakelijk geachte technische informatie over de peilingen in de media onderzocht. Daaruit blijkt op overtuigende wijze dat de informatie over de steekproef, die nodig is om zich een oordeel over de waarde ervan te kunnen vormen, sterk is afgenomen, of zelfs helemaal ontbreekt (Sonck, 2007), of zelfs niet correct is.
Ik zal drie stellingen voorleggen en mij hierbij beperken tot peilingen over stemintenties en sommige politiek geladen thema’s. Peiling naar stemintenties, naar politieke voorkeuren en naar de mate waarin bepaalde thema’s (zouden) meespelen bij het maken van politieke keuzes zijn hier aan de orde. Impliciet hebben mijn stellingen betrekking op het onderscheid tussen enerzijds opiniepeilingen waarvan de resultaten tot ons komen via dagbladen, het nieuws op radio en televisie, en magazines, en anderzijds wetenschappelijk opinieonderzoek. Bij verschillende gelegenheden heb ik de criteria van onderscheid uitvoerig behandeld. Ik wil niet beweren dat peilingen die door de media worden opgezet vanuit het oogpunt van de betrouwbaarheid volledig waardeloos zouden zijn. Af en toe is men wel eens aangenaam verrast, maar dit gevoel heb ik helaas te zelden. Sensationele vondsten zijn meer het resultaat van de gebruikte methode dan van wat zich in de werkelijkheid afspeelt. Dit is de achillespees is van mediapeilingen. Men noemt dit ‘bias’ in de vakliteratuur. Waarom zich daar zorgen over maken?
Peilingen vertalen individuele opvattingen in een collectieve publieke opinie, maar dit kan op een gebrekkige en vertekende wijze gebeuren waardoor een misleidend beeld ontstaat dat afwijkt van de werkelijke zorgen van de bevolking. Er wordt doorgaans ook geen onderscheid gemaakt tussen de opinies van burgers met sterke gevoelens over de thema’s (sterke attitudes) en de brede middenmoot met weinig uitgesproken meningen die toch antwoorden produceren. Precies omwille van het gevaar dat de overheid op een verkeerd been gezet wordt of omwille van de mogelijkheid dat de publieke opinie door resultaten van peilingen gemanipuleerd wordt, is het correct, betrouwbaar en geldig meten van opinies een dwingende plicht.
Vooraf nog een woord over de verschillende stadia in de productie van de publieke opinie door de media. De op peilingen gebaseerde publieke opinie wordt gemaakt op minstens drie niveaus. Op elk van die niveaus kan er wat misgaan: het onderzoeksbureau dat de peiling uitvoert en rapporteert, de verslaggever die de resultaten vertaalt in het medium, en de eindredactie die voor de koppen instaat. Omwille van de geringe prijs die de opdrachtgever maar wenst te betalen, omwille van de druk om op korte termijn veel gegevens te produceren, en ook soms wel omwille van beperkt inzicht in statistiek vertonen mediapeilingen geregeld ernstige gebreken. Maar ook ernstig uitgevoerd onderzoek kan verkeerd in de media verschijnen, en omwille van het sensationele karakter zegt de titel in een dagblad soms precies het omgekeerde van wat gevonden werd. 
 
De stellingen
 
Stelling 1.
Peilingen naar de kiesintenties hebben nauwelijks nieuwswaarde omdat, indien men ze correct zou uitvoeren en gebruiken, men meestal zou moeten besluiten dat weinig of niets verandert. Kleine en vaak kunstmatige verschillen worden daarom opgedreven zodat ze de omvang krijgen van grote veranderingen terwijl er vaak weinig aan de hand is. De foutenmarges die eigen zijn aan dit soort onderzoek zijn vaak groter in omvang dan de vastgestelde veranderingen. 
 
Deze stelling wordt geïllustreerd aan de hand van een aantal recente voorbeelden.
Is regelmatig peilen naar stemintenties of politieke voorkeur in opdracht van de media dan zinloos?
Helemaal niet, maar men zou dit toch best wat anders aanpakken. 
Hierover gaat de tweede stelling. 
 
Stelling 2.
Beter minder peilingen van betere kwaliteit en met meer relevante informatie dan de huidige inflatie van peilingen naar stemintenties en de populariteit van politici. Er is vooral behoefte aan een degelijk uitgevoerde exit poll op de dag van de verkiezingen, niet om te voorspellen wat men een paar uur later toch zal weten, maar om beter inzicht te krijgen in wat de kiezers heeft bewogen. 
 
In de mediapeilingen wordt nogal wat fictie verspreid, zoals bijvoorbeeld de grote schommelingen in de aanhang van LDD. Degelijke informatie verschaffen over wat in de bevolking leeft in 
plaats van fictie is misschien ook wel een functie van de media, en zeker van de openbare omroep. Hierover gaat de derde stelling. 
 
Stelling 3.
Het is niet de taak van de openbare omroep om tijdens nieuwsuitzendingen zonder enige kritische commentaar bevindingen uit volstrekt onbetrouwbare peilingen als nieuwsfeiten voor te stellen. De openbare omroep zou bijzonder zorgzaam moeten zijn en er over moeten waken de publieke opinie niet te misleiden. Ik denk dat voor de dagbladen die zichzelf respecteren eenzelfde regel moet gelden. Informatie over de publieke opinie op basis van peilingen dient zorgvuldig gecontroleerd en geëvalueerd te worden door men¬sen binnen de media die over de nodige deskundigheid daartoe beschikken.
 
Ook deze stelling wordt geïllustreerd met een aantal recente voorbeelden zoals de cijfers met betrekking tot het aantal voorstanders voor een splitsing van België op het einde van 2007.
“Met statistieken kan men bewijzen wat men wil” wordt beweerd Natuurlijk zeg ik dan, tenminste als men de regels voor het correcte gebruik niet kent, niet wil kennen, en ook niet toepast. 
 
 
 
 
De (dis)functie van de media
 
Mark Van de Voorde
 
De media in ons leven
Meer en meer bepalen de media wat wij te zien krijgen van de werkelijkheid. Ze zijn een spiegel van de werkelijkheid, zeggen we. Jawel, maar dan een gebroken spiegel die slechts deeltjes van de werkelijkheid opvangt. De media verdringen de directe werkelijkheid door een bemiddelde werkelijkheid. Wat niet op televisie is geweest, bestaat niet. Dat leidt tot een ‘Thomaseffect’ bij het publiek. 
Nieuws is geen lang leven beschoren. Het woord zegt het al: wat nieuw is, uitzonderlijk, afwijkt van het gemiddelde, nog niet voorviel, niet oké is of zich massaal voordeed… Daar begint in feit alle nieuws mee. Wat is nieuws? Evelyn Waugh liet in Scoop een krantendirecteur de volgende definitie geven: ,,Nieuws is datgene wat een kerel die zich nergens druk over maakt, wil lezen. En eenmaal hij het heeft gelezen, is het geen nieuws meer. Dan is het dood.”
Door de honger naar ‘nieuw nieuws’, aangevuurd door de technische mogelijkheden van het rechtstreekse verslag en opgeëist door de commerciële concurrentie, zijn de media verplicht ons voortdurend mee te nemen naar andere gebeurtenissen en van die gebeurtenissen nog slechts het allernieuwste, het allerlaatste te laten zien, horen en lezen, al het voorgaande vergetend (te ingewikkeld bovendien). 
En de gewenning treedt op. We kunnen tegen veel. Hoe grijpen de media onze aandacht? Door uitvergrote emoties te projecteren, sentimentele beelden, keiharde gruweltaferelen, flitsende citaten, pseudo-werkelijkheden… De emocratie regeert. Emotie neemt de plaats in van empathie. 
 
Media en politiek
Indien de media de ‘vierde macht’ zijn, dan zij ze een ‘feitelijke’ macht. Dat wil zeggen: anders dan de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht zijn ze niet door de Grondwet ingesteld, noch door de wet geregeld. De media zijn geen grondwettelijk deel van de democratische staat, maar ze zijn essentieel voor een democratie. Het politiek systeem kan niet zonder de media.
Van oorsprong was onze pers een opiniepers. Onze oudste kranten en bladen ontstonden niet zozeer uit commerciële overwegingen maar uit ideële. Ze wilden een mening verkondigen, ze stonden voor een bepaald gedachtegoed. Het commerciële verhaal heeft het gehaald van het ideële verhaal. Of zoals men het in het Engels zegt, “the market has taken over from the academy”.
 
Een noodzakelijke zelfbezinning
Die reflectie die de media dringend moeten voeren, vertrekt bij de vraag: ze zijn massamedia of sociale communicatiemiddelen? Het begrip ‘sociale communicatiemiddelen’ kijkt naar de sociale rol van de media, hun maatschappelijke functie en betekenis. Het begrip massamedia kijkt naar het bereik: het aantal lezers en kijkers. 
Dat de media een sociale rol spelen, wordt door niemand ontkend. Voor de enen zorgen ze voor een sociale samenhang van kennis tussen de leden van de samenleving. Voor anderen zorgen ze voor een sociale samenhang van ons samen vergapen aan wat ons plezier verschaft. Voor nog anderen zorgen ze voor een sociale samenhang van de identiteit. Hoe verschillend deze drie visies ook zijn, ze leggen alle drie de nadruk op ‘sociale samenhang’: van kennis, van amusement en van identiteit. 
 
Over vrijheid van meningsuiting
Vrije meningsuiting is een onvervangbaar goed. Niet absoluut, wel fundamenteel. Wie vanuit extreemrechtse uithoek of vanaf de Verlichtingstribune bulderend de moslims uitscheldt, heeft niets te maken met vrije meningsuiting, maar alles met kwetsen. 
Vrije mening begint met het respect voor de andere mening dat wij verlangen voor onze mening. Dat is niet allereerst een kwestie van wetten, maar van cultuur en opvoeding en een kwestie van zelfregulering bij de media en de civiele samenleving.
 
 
De kwaliteit van onze voeding
 
Em. Prof. André Huyghebaert
                               
1. Inleiding
 
Onze voeding is de afgelopen decennia grondig gewijzigd. De afstand tussen de productie van een basisgrondstof en het voedingsmiddel op ons bord is zeer groot geworden. Ons huidig voedingssysteem is zeer ingewikkeld. 
Diverse ontwikkelingen bepalen deze evolutie:
- van basisbehoefte naar overvloed in aanbod,
- van lokale productie naar globalisatie,
- de tendens naar smaakvervlakking,
- voeding is een van de acht leefstijlen,
- de relatie voeding – gezondheid en welzijn,
- de voeding buitenshuis.

2. Verbruikers stellen vragen over de kwaliteit van voeding. 
 
Voedselzekerheid of het ter beschikking hebben van voldoende voedsel van een behoorlijke kwaliteit onder aanneembare voorwaarden is niet meer het eerste punt van onze bekommernissen. Uitzonderingen hierop zijn de derde wereld en ook de vierde wereld bij ons. De laatste tijd wordt dit beeld doorkruist door de stijging van de grondstoffenprijzen op de wereldmarkt.
De periode waarbij er ook in onze streken een tekort aan voeding was is niet zo heel veraf. Het debat over de kwaliteit van voeding overheerst echter onze benadering van voeding.
 
3. Kwaliteit van voeding omvat een aantal elementen:
- voedingswaarde of de aanwezigheid van nuttige stoffen,
- voedselveiligheid of de afwezigheid van schadelijke stoffen,
- de sensorische eigenschappen: smaak, aroma, kleur, textuur
- de gebruiksvriendelijkheid,
- het imago of de beeldvorming van het levensmiddel,
- de prijs.
Voedingswaarde en voedselveiligheid zijn de meest belangrijke factoren, mede omdat het “onzichtbare” factoren zijn.
De “zichtbare” factoren zoals de sensoriek, imago en gebruiksvriendelijkheid bepalen wij zelf. Toch zijn zij mede bepalend in de totale kwaliteit.
 
4. De sensoriek wordt dikwijls omschreven als smaak.
 
Onze voorkeur voor bepaalde voeding wordt bepaald door het geheel van sensorische eigenschappen. Dit zijn, in volgorde van gewaarwording: het uitzicht (vorm en kleur), de geur, de textuur, de smaak en het aroma.
Uit onderzoek blijkt dat “smaak” de meest bepalende factor voor de keuze van voeding of de keuze voor een meer of minder evenwichtig voeding.
Toch is er sprake van een smaakvervlakking in onze samenleving zoals ondermeer een tendens naar meer uniforme smaken, een stijgende voorkeur voor zoete smaken, een geringere waardering van de natuurlijke inherente smaak.
 
5. De gebruiksvriendelijkheid is zeker een kwaliteitselement.
 
Dit kan omschreven als de tendens naar (gedeeltelijk) bereide nrediënten of kant en klare voeding.
 
6. Het imago of het beeld, dat wij hebben van een bepaald levensmiddel, is zeker belangrijk.
 
Ook dit is aan evolutie onderhevig. Er zijn talloze voorbeelden van producten zoals gevogelte en vis, waarvan het imago grondig gewijzigd is.
 
 
7.De voedselveiligheid kan omschreven als de afwezigheid van ongewenste bestanddelen.
 
Dit is een basisvraag van de voedselkwaliteit.
 
In voeding kunnen vier soorten gevaren aanwezig zijn:
- fysische gevaren zoals stukjes glas, metaal en andere 
- chemische gevaren zoals mycotoxines, zware metalen, dioxines, pesticiden, antibiotica,
- biologische gevaren: bacteriën, virussen, prionen, hogere dieren,
- allergenen: stoffen die allergie en/of overgevoeligheid veroorzaken.
 
Fysische gevaren zijn doorgaans specifiek voor een levensmiddel. Zij zijn oorzaak van “recalls” of het terugroepen van voedingsmiddelen uit de markt.
Allergenen vormen eveneens een bijzondere groep daar zij in principe persoonsgebonden zijn. 
 
Voor chemische en biologische gevaren wordt een onderscheid gemaakt tussen gevaar en risico.
Het beleid in verband met voedselveiligheid is gebaseerd op een schatting van het risico, veelal risicoevaluatie genoemd. Er wordt rekening gehouden met de ernst van het gevaar en de frequentie van voorkomen.
 
Als voorbeeld kwik genomen dat een schadelijk element voor de gezondheid is. Kwik kan overal aanwezig zijn:
- in zuivelproducten is kwik onbeduidend,
- in vis is kwik wel een belangrijke factor. 
Dit is gebaseerd op een schatting van het risico van kwik in voeding.
Om dit te berekenen dient men te beschikken over gegevens:
- waar en hoeveel kwik komt in voeding voor m.a.w. hoeveel nemen wij op via voeding, inclusief   kwetsbare groepen in de samenleving: dit is de blootstellingsanalyse
- hoe schadelijk is kwik voor de gezondheid of de ernst van het gevaar.
  
De ernst van het gevaar volgt uit toxicologische waarnemingen. Hieruit wordt de dosis afgeleid, die geen nadelige effecten heeft bij dieren, cel- en weefselculturen en andere.
Hieruit wordt, met veiligheidsfactoren (100 of hoger), een veiligheidsgrens voor de mens afgeleid: de tolereerbare dagelijkse inname (TDI) of de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI). Deze waarden worden per kg lichaamsgewicht bepaald.
Voor kankerverwekkende stoffen geldt het principe “zo laag mogelijk” of het ALARA principe (as low as reasonable achievable).
Uit de vergelijking van deze grenswaarde en de blootstelling wordt bepaald wat het risico is van een schadelijke stof. Op deze basis worden de nodige beleidsbeslissingen genomen:
- in ons land: het Voedselagentschap, FAVV, voluit Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen in Europa: de Europese Instanties.
 
8. Voorbeelden
 
Mycotoxines zijn schadelijke stoffen afkomstig van schimmels. Zij behoren tot de ergste giften, die wij kennen in voeding. Er zijn historische voorbeelden van toxines op granen zoals moederkoren (Claviceps).
Plantaardige levensmiddelen kunnen door schimmels aangetast zijn en dienen absoluut geweerd uit de voedselketen. Mycotoxines zijn vooral een probleem in tropische en subtropische gebieden (ingevoerde producten) maar kunnen ook bij ons een rol spelen. Een voorbeeld is beschimmeld fruit dat toxines kan bevatten en niet mag verbruikt worden.
Uiteraard geldt dit niet voor voedingsmiddelen gefermenteerd met gunstige schimmels zoals kazen, vleeswaren, oosterse producten.
Pesticiden zijn residu’s van bestrijdingsmiddelen, gebruikt in de plantaardige productie. Dit wordt veelal als een groot risico ervaren door verbruikers. Wetenschappelijk kan aangetoond dat dit probleem behoorlijk onder controle is. Mits inachtneming van elementaire voorzorgen zoals wassen, spoelen en dgl van groenten en fruit kan de blootstelling beperkt worden.
Antibiotica zijn residu’s gebruikt bij dierlijke productie. Omwille van de risico’s op vorming van resistente stammen, zijn de afgelopen periode grote inspanningen geleverd om het gebruik van antibiotica in dierlijke productie te beperken en de aanwezigheid ervan in voeding uit te sluiten. Bij rauwe melk wordt ieder lot onderzocht op aanwezigheid van antibiotica om de insleep in de voedselketen uit te schakelen.
Salmonella is een bacterie, die voedselinfectie kan veroorzaken. Een typisch voorbeeld zijn rauwe eieren. Door een warmtebehandeling zoals bij de bereidingsprocessen wordt Salmonella gedood. Bereidingen met rauwe eieren vormen het grootste risico. Het aantal salmonellose gevallen is als gevolg van de inspanningen teruggelopen. Nochtans kan de afwezigheid van Salmonella in rauwe eieren niet gegarandeerd worden. Als advies kan gegeven om , naast de warmtebehandelingen in de keuken, te kiezen voor verse eieren en deze in de koelkast te bewaren.
Campylobacter is eveneens een bacterie, die een voedselvergiftiging kan veroorzaken. Campylobacter komt bij gevogeltevlees voor maar wordt eveneens door de bereidingsprocessen gedood. Verdere adviezen zijn producten koelen en hygiëne respecteren, ondermeer i.v.m. kruisbesmetting.
Prionen zijn bekend als het agens dat BSE (gekke koeienziekte) veroorzaakt. Na de forse uitbraak in de jaren 90 van de vorige eeuw, vooral in de UK, zijn stringente maatregelen getroffen om verdere verspreiding te beperken en de epidemie in te perken. Het aantal gevallen is hierdoor in Europa sterk teruggelopen en in ons land zeer beperkt.
 
9. De Voedingswaarde
 
Hiermede wordt bedoeld de aanwezigheid van voedende stoffen in de juiste verhoudingen in levensmiddelen en in ons voedingspatroon.
Er zijn meerdere initiatieven om een evenwichtige voeding te promoten ondermeer:
Het Nationaal Plan Voeding en Gezondheid: NPVG
Het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie: VIG
Uit een peiling naar de voedingsgewoonten de voedselconsumptiepeiling, is bekend dat onze voeding niet optimaal is. Dit volgt uit een vergelijking van de ideale voedingsdriehoek en de werkelijke voedingsdriehoek.
 
Aandachtspunten zijn:
1. een niet evenwichtige voeding door een 
  - teveel aan vetten, suiker en zout
  - te weinig aan vezel, groenten, fruit, magere zuivel, vis
2. een teveel aan energie vandaar problemen met overgewicht en obesitas, vooral bij jongeren: overvoeding
3. een probleem van ondervoeding in verzorgingsinstellingen.
4. een gezonde eet- en leefstijl: voldoende beweging
  - min 30 min matige beweging per dag
  - min 60 min matige beweging per dag bij kinderen.
 
10.Voorbeelden
 
Groenten en fruit
Het verbruik van groenten en fruit is te laag. Zij zijn een bron van vitaminen, mineralen en beschermstoffen. De aanbeveling is 5 porties per dag. Ook hier dient gelet op variatie in verbuik met voorkeur voor seizoensproducten. Het is voldoende bekend dat ook bereide producten, en niet alleen verse, een bijdrage leveren zoals bij tomaten, wortelen en dgl.
De biobeschikbaarheid van lycopeen en β-caroteen is hoger. Diepvriesproducten bevatten na bereiding evenveel voedingsstoffen als verse na bereiding.
Pesticiden en nitraten vormen geen belemmering om dit advies te volgen.
 
Vis
De aanbeveling is twee keer vis per week, waaronder eenmaal vette vis. Dit laatste is verbonden aan de aanwezigheid van omega-3 vetzuren. Omega-3 vetzuren zijn te weinig in voeding aanwezig en hebben belangrijke gunstige eigenschappen.
Vis is gecontamineerd door dioxines en kwik vandaar de aanbeveling max 2 keer vis. Bepaalde grote roofvissen zoals haai, merlijn en zwaardvis zijn door opstapeling in de voedselketen zwaar gecontamineerd. Het verbruik ervan wordt ontraden. Dit geldt ook ten dele voor verse tonijn, niet voor ingeblikte. Het advies
is vooral belangrijk voor kwetsbare groepen zoals kinderen en zwangere vrouwen.
 
Vezel
Vezelbestanddelen zijn in voeding afkomstig van groenten en fruit (oplosbare vezel) en granen (onoplosbare vezel). De inname van vezel is te laag of onze voeding is te sterk geraffineerd vandaar een pleidooi voor volkorenproducten.
 
Vetarme zuivel
Vetarme zuivel zorgt voor de aanbreng van calcium waarvan de inname te laag is.
 
Oliën en vetten
De vetinname is te hoog, vooral van verborgen vet. Vetten of oliën worden geklasseerd volgens verzadigde, enkelvoudig onverzadigde en meervoudig onverzadigde vetzuren.
De inname van verzadigde vetten dient beperkt: dierlijke en geharde plantaardige vetten. De enkelvoudige verzadigde vetten zoals olijfolie (omega 9) zijn aanbevolen.
 
Bij de meervoudig onverzadigde vetten zijn er:
- omega 6 zoals mais-, zonnebloemolie:  positief maar niet teveel
- omega 3 plantaardig: lijnzaad- en koolzaadolie (ook soya) zijn positief
- omega 3 dierlijk: vis: EPA, DHA
Alle vetten, ook de onverzadigde, zijn energierijk (olijfolie).
 
11. Toevoegsels of Additieven
 
Dit zijn opzettelijk toegevoegde stoffen zoals kleurstoffen, bewaarmiddelen, verdikkings-middelen. Er is een duidelijk onderscheid met contaminanten en residuen die ongewenst zijn.
Er is geen elementair veiligheidsprobleem met additieven. Zij dienen trouwens op het etiket te worden vermeld: als E nummer of onder de naam.
De lijst van Villejuif met lijsten van onschadelijke, gevaarlijke en zeer gevaarlijke additieven is een foute lijst.
Wel is er discussie over bepaalde additieven zoals de synthetische kleurstoffen, glutamaten (smaakversterkers), kunstmatige zoetstoffen en sulfiet (wijn).
 
12. Voedselallergie
 
Het aantal gevallen van voedselallergie en/of overgevoeligheid is stijgend. Op het vlak van voedselveiligheid is dit probleem verschillend daar het persoons-gebonden is. Recent werden maatregelen getroffen en moeten de 14 meest voorkomende allergenen op het etiket vermeld worden. Probleem blijft de niet voorverpakte voeding en de buitenshuis voeding.
 
13. Functionele Voeding
 
Er zijn belangrijke ontwikkelingen op dit gebied. Functionele voeding bevindt zich tussen voedingsmiddelen en geneesmiddelen maar het zijn warenwettelijk voedingsmiddelen. Veelal zijn het producten, die aangerijkt zijn met actieve componenten zoals probiotica (gunstige bacteriën), fytosterolen, calcium, ω-3 vetzuren. Mits oordeelkundig gebruik kunnen zij een bijdrage leveren tot gezondheid en  welzijn.
Voedingsupplementen zijn eveneens voedingsmiddelen. Zij kunnen vrij, zonder voorschrift, gekocht worden. Zij bevatten actieve bestanddelen in geconcentreerde vorm. Enige voorzichtigheid is derhalve aangewezen. Bij voorkeur worden zij onder deskundig toezicht gebruikt.
 
14. Besluit
 
Een evenwichtige voeding met respect voor de verschillende kwaliteitselementen, is perfect haalbaar op voorwaarde dat rekening wordt gehouden met de aanbevelingen op het vlak van voedingswaarde en voedselveiligheid.
 

 

  
Over de doelmatige architectuur van Huib Hoste
 
Jos Vandenbreeden, directeur Sint-Lucasarchief
 
 
De modernisten verwierpen het concept van de enscenering van het woonkader en stelden de functionaliteit en de nieuwe rationaliteit van het wonen als actief begrip in de plaats. Er werd afgerekend met de zogenaamde ‘vormenperiode’. Men had genoeg van die esthetiek. In zijn boek L’Art Décoratif d’Aujourd’hui 1 een regelrechte aanklacht tegen de Parijse Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes in 1925, rekende Le Corbusier definitief af met de decoratieve kunsten in de architectuur, die toen een grote bloei kenden. “De moderne decoratieve kunst heeft geen decor”2 zo stelde hij simpelweg. Het ging nu over de ontwikkeling van een nieuwe ethiek van het wonen en het leven in een nieuwe maatschappij. “Het nieuwe, dat is de harmonieuze uitdrukking van de noden van vandaag”3, zo schreef Le Corbusier.
 
Architect Huib Hoste vertaalt dat nieuwe wonen in een doelmatige architectuur: “…terwijl men vroeger in de kamers meubels opstelde, is men er nu op uit het huis in te richten, het uit te rusten met al hetgene nodig is om het zo goed en zo makkelijk als het kan bewoonbaar te maken. Het is weer een uiting van nieuwe zakelijkheid.”4
 
Door het gewapend beton, moet de architectuur een echte ruimtekunst worden. Ruimten worden verstaanbaar door hun zuiver volume als gevolg van het logisch gebruik van het beton. Het betonskelet wordt hier en daar geaffirmeerd om de woning meer open te trekken en dus ruimtelijker te maken. “Een woning is een complex van ruimten. Een ruimte kan men bepalen als een gedeelte van het ruim”5, zo schrijft Hoste. 
Een sterke bezonning van de woning is volgens Hoste nodig voor de eisen van de hygiëne.6 De ramen zijn immers de ogen en de longen van de woning. De daktuin of het dakterras (solarium) met betonnen plantenbak is er om de bewoners niet van de natuur te vervreemden. 
 
In de moderne woning is er weinig ruimte voor het losse meubel. Niet de meubelontwerper of de decorateur komen hier aan bod, maar de bouwmeester. Hij moet een woning zo ontwerpen dat een aantal kasten in het gebouw opgenomen zijn, zonder dat het lichte en het luchtige van de woning daardoor benadeeld worden. Het zijn ‘ingebouwde kasten’, een nieuwigheid in die tijd. Ze hebben volgens Hoste veel voordelen: men moet ze niet verhuizen, er kan geen stof achter of onder, zij zijn een uitstekend middel om twee kamers akoestisch van elkaar te isoleren. Wanneer zij tussen de keuken en de eetkamer liggen, maakt men ze vanuit beide vertrekken bereikbaar, zodat het rondlopen uitgeschakeld wordt. 
 
Het vraagstuk van de keukeninrichting wordt in die tijd in Duitsland en in de Verenigde Staten bestudeerd. Men spreekt niet meer over keukeninrichting, zoals over interieurinrichting, maar over keukenuitrusting. Ook dat onderdeel van de woning wordt met een zakelijke blik bekeken. Het is geen materie meer van decoratieve aard, maar van praktische aard, die in de architectuur van ‘Het Nieuwe Bouwen’ volop tot zijn recht komt. De keuken wordt behalve met een gootsteen en een fornuis uitgerust met vaste kasten, die ontworpen zijn voor hun specifieke functie. Ze zijn ingebouwd en bestaan uit een voorwand met deuren en laden, waarachter de indeling aangepast kan worden. Een doorgeefluik voor de bereide spijzen, tussen keuken en eetkamer behoort dan tot de uitrusting. Via een spijzenlift kan de keuken in gemakkelijke verbinding staan met de kelder. Zo kan ze een minimum aan oppervlakte beslaan en toch een maximum aan rationaliteit en doelmatigheid garanderen. 
 
Bouwen en dus architectuur betekenen voor Hoste ‘ruimte scheppen’. Berlage leerde de vlakke wand en het volume waarderen. Verschillende ruimten worden nu door hun functie in anderssoortige volumes uitgesproken, die zich duidelijk en beeldend aftekenen. Het licht speelt zuiverder op eenvoudige volumes. De naakte muur opende de weg naar architectuur als de ware ruimtekunst. Wanden kunnen eveneens opgelost worden tot steunpunten en daardoor kan architectuur een levend organisme worden, waar het ene logisch uit het andere groeit, in plaats van een organisme dat symmetrisch of volgens de wetten van de schoonheid is gevormd.. Een aldus organisch opgevat gebouw zit even logisch in elkaar als een machine. Het resultaat is esthetisch omdat het een logisch antwoord is op een louter praktische vraag. 
En Le Corbusier had daarvoor een knappe formule: “de woning heeft twee bestemmingen. Eerst is ze woonmachine, dit wil zeggen een werktuig bestemd als doelmatige hulp bij de snelheid en de ons werk, een nijvere en gedienstige machine die beantwoordt aan de vereisten van het lichaam: comfort. Maar vervolgens is ze de noodzakelijke plek voor meditatie en ook de plaats waar schoonheid heerst, die de geest tot rust brengt, wat onontbeerlijk is”.7
 
1  Le Corbusier, L’art Décoratif d’Aujourd’hui, Paris, 1926.
2  Ibidem, p. III.
3  Le Corbusier & P. Jeanneret, Concevoir d’abord, construire ensuite. L’Architecture      
    d’ Aujourd’hui, 1933, nr. 10, p. 29.
4 Huib Hoste, Wooninrichting, Opbouwen, nr. 3, 15 april1933, pp. 34-35.
5 Huib Hoste, De woning, Antwerpen 1948, p. 68.
6 Huib Hoste, Woning en stedebouw, De Vlaamsche Radiogids, nr. 25, 22-28 maart 1936.
7 Le Corbusier, Almanach d’Architecture Moderne, Collection de l’Esprit nouveau,
    Paris, 1925,  p. 29.
 

 

Autisme, een handicap met veel gezichten
 
Sylvie Carette – Autisme centraal
 
We beschikken niet over een synthesetekst van deze boeiende lezing, maar wie meer informatie wil over dit onderwerp kan terecht bij:
AUTISME CENTRAAL
Groot Begijnhof 85 – B-9040 GENT
 
www.autismecentraal.com
 
Op de website van Autisme centraal staat zeer interessante uitleg over deze handicap.
 

 

 
50 JAAR universitaire expansie in België
 
Prof. K. De Clerck (Ugent)
 
Ongeveer een halve eeuw geleden gingen steeds meer stemmen op om ons onderwijs te democratiseren, m.a.w. om iedereen “gelijke kansen” te geven. Merkwaardig genoeg dacht men daarbij niet allereerst aan het kleuter- en lager onderwijs of aan het optrekken van de leerplichtige leeftijd, maar zocht men naar mogelijkheden om méér universiteiten op te richten. Elke provincie meende recht te hebben op zo’n instelling.
 
De “Nationale Raad voor Wetenschapsbeleid” (eind 1959 door de regering samengesteld om voorstellen te formuleren betreffende de ontwikkeling van het universitair onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek) drong echter aan op voorzichtigheid. Het rapport van de Raad (voltooid in mei 1961) gaf als voornaamste adviezen : verhoging van de kwaliteit nastreven, infrastructuur verbeteren, spreiding van autonome faculteiten vermijden, geen nieuwe universiteiten oprichten.
 
Ofschoon dus gewaarschuwd werd om niet overijld te werk te gaan, begonnen vrijwel onmiddellijk in Antwerpen, Henegouwen en Limburg actiegroepen te ijveren voor een universitaire instelling. Ook in het parlement lieten politici pleidooien horen ten gunste van het hoger onderwijs in de regio’s die ze vertegenwoordigden.
 
De golden sixties boden de mogelijkheid om dromen in vervulling te laten gaan. Zo zorgde een “omnivalentiewet” ervoor dat vanaf 1964 de toegang tot de universiteit verruimd werd (de Grieks-Latijnse afdeling van de humaniora verloor het monopolie).
Vervolgens barstte een politieke strijd los, waarbij alle provincies en grote steden zich deden gelden. Het streven naar “universitaire expansie” leidde ertoe dat de vier Belgische universiteiten (Leuven, Brussel, Gent, Luik) tussen 1965 en 1971 aangevuld werden met instellingen in Antwerpen, Bergen, Namen, Kortrijk en Diepenbeek. Bovendien ging men over tot een taalkundige splitsing van de Leuvense en Brusselse universiteit. Hetzelfde gebeurde met de kandidaatsopleiding van Saint-Louis in Brussel.
 
Weldra bleek dat de wetgever veel te mild was omgesprongen met de staatsgelden. Na 1971 moest men constateren dat de gevoerde politiek een zware aderlating had gevergd van de schatkist, dus ook van de belastingbetaler. De enorme uitbreiding van het academisch personeel had niet alleen financiële gevolgen, maar deed tevens vragen rijzen over de kunde en geschiktheid van al die nieuwe professoren en assistenten. In veel gevallen bleven immers de pedagogische kwaliteiten achterwege. De concurrentie tussen de versnipperde universiteiten was niet van aard om samenwerking te bevorderen en onderwijsmethodes te verbeteren. Kortom, iedereen ging zijn eigen gang en over “gelijke kansen” (het modewoord van de jaren zestig) werd nauwelijks nog gesproken.
 
Toch mocht op één vlak een positief geluid weerklinken inzake “gelijke kansen” jaarlijks nam het aantal vrouwelijke studenten toe. Twee kanttekeningen dienen hier evenwel gemaakt te worden. Enerzijds kozen die jonge vrouwen meestal humane richtingen en trachtten de exacte wetenschappen te ontwijken. Anderzijds werden academische ambities vaak bemoeilijkt door familiale omstandigheden (wanneer het gezinsleven primeerde verminderden de kansen op een doctoraat en een eventueel professoraat).
 
Zowel voor mannen als vrouwen was er, naast de universiteiten, uiteraard de mogelijkheid tot lesgeven in hogescholen. Aanvankelijk ging dat om twee- of driejarige opleidingen (onder de overkoepelende benaming “niet-universitair hoger onderwijs”, daarna omgevormd tot “hoger onderwijs buiten de universiteit”), maar toen men ook vierjarige opleidingen creëerde werd het onderscheid gemaakt tussen “korte type” en “lange type”. Tijdens het laatste decennium van de 20ste eeuw groeiden hogescholen en universiteiten meer naar elkaar toe en werden zelfs samenwerkingsovereenkomsten gesloten. Uniforme regelingen ontbraken echter nog.
 
Pas na de Sorbonneverklaring in 1998 en de Bolognaverklaring het jaar daarop kon begonnen worden met gemeenschappelijk overleg om te komen tot een eenvormigheid en mobiliteit van het onderwijs in Europa. Zo werd ook bij ons geleidelijk de (internationaal aangenomen) bachelor-masterstructuur ingevoerd. Parallel met die evolutie streden onze universiteiten voor méér “expansie” door associaties te vormen met hogescholen in Vlaanderen en aldus de mogelijkheid van overstappen aan te moedigen. Dankzij een ruim netwerk slaagde men erin op die manier de studentenaantallen te verhogen.
Ook de terminologie werd aangepast. Graden als gegradueerde, kandidaat, licentiaat en ingenieur maakten plaats voor bachelors en masters. De hogescholen vormden voortaan “professionele bachelors” (gedurende een praktijkgerichte opleiding van drie jaar), de universiteiten “academische bachelors” die (na een theoretisch georiënteerde driejarige voorbereiding) een masterstudie konden aanvatten.
Met vallen en opstaan hebben docenten en studenten leren aanvaarden dat het begrip “studiejaar” vervangen is door “60 studiepunten” en dat “vakken” nu “opleidingsonderdelen” heten. Iedereen diende zich ook aan te passen aan het semestersysteem en aan de voorwaarden om te slagen. Voor eik opleidingsonderdeel is een score van minimum 10 op 20 nodig om een “credit” te behalen. Tekorten kunnen meegenomen worden naar een volgend jaar, waar een nieuw examen mogelijk is. Die flexibiliteit (kenmerkend voor het bachelor-master-principe) is een complex verschijnsel dat (voorlopig ?) wat verwarring teweegbrengt. Als enige zekerheid kunnen we vaststellen, dat studenten nog nooit zoveel geteld en gecijferd hebben om hun doel proberen te bereiken. Het resultaat zullen we pas over enkele jaren kennen …
 

 

WEL EN WEE VAN DRUGS
IN ONZE MAATSCHAPPIJ: EEN TOXICOLOGISCHE KIJK
 
JAN TYTGAT, Laboratorium Toxicologie, K.U.Leuven
 
Drugs en psychotrope substanties in het algemeen zijn stoffen die inwerken op de hersenstructuren en alzo op de geest of ‘psyche’. Gesteld kan worden dat de mensheid reeds van in het prille begin het bestaan en de uitwerking van een aantal natuurlijk voorkomende psychotrope stoffen kende. In de twintigste eeuw heeft er zich echter een explosieve ontwikkeling en beschikbaarheid plaatsgevonden van (semi-) synthetische stoffen, die een verrassende uitwerking hadden op de hersenen. Sommige van deze stoffen, zoals neuroleptica en antidepressiva, zijn dankzij hun therapeutische kwaliteiten belangrijk gebleken in de geneeskunde. Daartegenover zijn er echter ook andere door de mens gemaakte stoffen met psychotrope werking ten tonele verschenen, die gewoonlijk meer voor het genot dan voor therapeutische doeleinden worden gebruikt. Zulke stoffen catalogeert men doorgaans als drugs.
 
Sinds het einde van de jaren ’60 is er in Europa en de Verenigde Staten van Amerika een opmerkelijke verhoging vastgesteld van de handel en het gebruik van drugs. Ook België bleef niet gespaard. Nationale politiestatistieken tonen aan dat zowel het aantal drugszaken als het aantal personen dat daarbij betrokken is, toeneemt. Sinds 1980 kunnen we van een vertienvoudiging spreken. Om meer te weten te komen over het druggebruik bij jongeren en scholieren, werden herhaaldelijk enquêtes uitgevoerd naar het gebruik van alcohol, tabak, medicatie en illegale drugs. Uit deze studies bleek vooral dat drugs in de eerste plaats worden gebruikt op fuiven en op café. Druggebruik en verslaving zijn echter een fenomeen dat zich in alle lagen van de bevolking manifesteert en bijgevolg een maatschappelijk probleem is. Omwille van enerzijds de nieuwsgierigheid naar alles wat onbekend en verboden is, en anderzijds de invloed van de groepsdruk, zijn het vooral opgroeiende jongeren die niet altijd in staat zijn om zich voldoende te weren tegen het experimenteren met ‘verleidelijke’ producten. Een gevolg hiervan is dat steeds meer scholen te maken krijgen met druggebruik en de navenante problemen. Daarnaast manifesteert het probleem zich ook in bedrijven, hetgeen aanleiding geeft tot mindere prestaties plus een hoger absenteïsme, en in de medische wereld, waar verdovende middelen worden gestolen of artsenvoorschriften worden vervalst om de producten op de zwarte markt te kunnen verkopen.
 
In de wereld van de drugs, worden we de laatste jaren geconfronteerd met een aantal nieuwe fenomenen. Zo is er het fenomeen van de megadancings en het toenemend gebruik van ‘XTC’; het experimenteren met allerhande stoffen zoals solventen, ‘smart drugs’ en ‘designer drugs’; het onrustbarend groot aantal weekendongevallen waarbij jongeren betrokken zijn en waarbij alcohol- en druggebruik een determinerende factor zijn; het liberaliseren van cannabisgebruik en het fenomeen van drugtoerisme en bevoorrading over de landsgrenzen heen. Gans in het bijzonder merken we ook het verschijnen op de markt van nieuwe, illegaal gesynthetiseerde, psychotrope stoffen, doch vertrekkende van perfect legale grondstoffen of precursoren. Op dit vlak gaapt dan ook nog een grote leegte tussen hetgeen de wetgever aan banden legt en hetgeen zich afspeelt in de praktijk.
 
Gebaseerd op bovenstaande, staat het buiten kijf dat het toenemend drugprobleem gepast onderzoek en antwoorden vergt. Daarbij is het belangrijk dat zowel de vraag naar, als het aanbod van drugs, tegelijkertijd wordt aangepakt. Praktisch gesproken betekent dit dat de politiek, het Parket en de Federale Politie adequaat moeten optreden, speciale acties op het getouw zetten en preventiecampagnes ondersteunen. Het kennen en herkennen van de verschillende soorten drugs is hierbij belangrijk om gepast te kunnen reageren.
 
In deze context dient men zich af te vragen of moderne drugs al dan niet te beschouwen zijn als ‘oude wijn in nieuwe zakken’, of daarentegen als daadwerkelijk nieuwe moleculen met specifieke karakteristieken en gevaren waar we ons tot op heden nog niet van bewust zijn? Om hierop een gefundeerd antwoord te kunnen geven, moeten we de stoffen met een psychotrope uitwerking indelen in drie, soms vier hoofdgroepen:
 
1. de bewustzijnsonderdrukkende middelen of psycholeptica (‘psyche’ = geest ; ‘lepsis’ = aanval): deze stoffen doen ‘een aanval’ op de geestelijke activiteit en gaan die namelijk onderdrukken. Het zijn de ‘inhiberende’ stoffen.
 
2. de bewustzijnsstimulerende middelen of psycho-analeptica: deze stoffen hebben het tegenovergestelde effect van de vorige groep en gaan bijgevolg de mentale activiteit stimuleren. Het zijn de ‘exciterende’ stoffen.
 
3. de bewustzijnsverstorende middelen of psychodysleptica: deze stoffen ‘verstoren’ de geestelijke activiteit. De hallucinogenica behoren o.a. tot deze groep.
 
4. de dronkenschap veroorzakende middelen of inebriantia: vanzelfsprekend behoort ethylalcohol (meestal kortweg afgekort als alcohol) hiertoe, maar ook substanties zoals ether, benzeen, trichloorethyleen en vele andere vluchtige verbindingen die door snuiven een dronkenschap kunnen veroorzaken.
 

 

 
Zingeving als fundamentele uitdaging voor
de postmoderne mens
 
Prof. DIRK DEWACHTER UPC KULeuven
  
DEEL I
Vragen, problemen, twijfels, onzekerheden, verwarringen, angsten en andere vooral moeilijk te verwoorden toestanden van ons leven.
 
Tijden van eenzaamheid
 Globalisering       Vervreemding
Economisering     Versnelling
Informatisering      Virtualisering
Flexibilisering        Versplintering
Visualisering        Conditionering
 
Arnon Grunberg: Het aapje dat geluk pakt (1905)
‘Als je jong bent, denk je dat er normale mensen bestaan, maar dat jij de pech hebt ze niet te kennen. Later kom je erachter dat dat onzin is, dat er geen normale mensen bestaan. Er bestaan alleen patiënten. Sommige patiënten weten zich staande te houden ten koste van andere patiënten en die noemen we we daarom geen patiënten. Die noemen we geslaagd.’
 
(Anti)psychiatrie
De Borderline-times
- Verlatingsangst
- Onstabiele interpersoonlijke relaties
- Identiteitsstoornis
- Impulsiviteit
- Affectieve instabiliteit
- Gevoelens van leegte
 
Referentiekaders
• Medisch model
• Rehabilitatiemodel
• Psychotherapeutisch model
• Existentieel model
 
 Existentieel Deficit
 Filosofisch-spiritueel tekort
(patiënt en behandelaar)
 
‘Waarom eten we dit?’
‘Wat is de zin van dat lles?’
Vooral bij ‘chroniciteit’
 
3 oplossingen:
1 Medicalisering – Psychologisering
2 Cynisme
2 Voorbij klassieke kaders
 
Fernando Savater
• ‘Voor een goed leven hebbenwe méér nodig dan de feiten van de wetenschap’
• Filosofie geeft wel antwoorden, maar nooit oplossingen. De vragen blijven bestaan.
• ‘Filosofie is er niet op uit om kennis te vergaren. Wat belangrijk is, is leren je schrap te
   zetten tegen diegenen die menen de waarheid in pacht te hebben.’
• ‘De filosofie kan in die zin mensen menselijker maken, vrijheidlievend en anti-dogmatisch.’
 
 
 DEEL II
 
Antwoorden (en weer nieuwe vragen)
 
Emmanuel Levinas (Litouwen 1906- Parijs 1995)
Jodendom Westerse’ filosofie
(Mitnagged) (Husserl – Heidegger)
 
‘De l’existence à l’existant (1947)
‘Totalité et infini’ (1961)
 
1 Naamloosheid tot Zelfbeschikking
   (Il y a)
                Genieten
                Arbeiden
                Kennen
 2 Zelfbeschikking tot Verantwoordelijkheid
                (Het gelaat van de ander)
 3 Verantwoordelijkheidtot Religie
  
Il-y-a
Levinas: De naamloze totaliteit van het pure zijn
Patiënt: Overspoeld – vernietigd door de duistere bedreigende allesomvattendheid van het zijn zelf
Psychiatrie: - het anoniem asiel
- de wereld ‘buiten’ (de behandelaars)
- de medicatie
  
Genieten
Levinas eerste stap naar
        eigen-wording
        zelf-beschikking
        ont-moeting
       (de omringende werkelijkheid als iets dat voldoet en bevestigt)
 
Patiënt    ont-moeten     ont-plichten
 
PsychiatrieEigen plek (thuisbasis)
verdiepen en beveiligen van het genieten
in zichzelf keren als eerste fase
 
Arbeiden
Levinas macht over de wereld
        in praktische omgang
        in baatzuchtigheid
 
Patiënt zelf-identificatie door activiteit
 
Psychiatrie -  het ‘bouwen’, inrichten van de eigen plek
                        het erop uittrekken vanuit de basis, en terugkomen
 
Kennen
Levinas de wereld be-grijpen in heldere en onderscheiden ideeën
 
Patiënt  mondigheid  inspraak
 Psychiatrie       begrijpen en verklaren
                           inspraak (rechten)
                           psycho-‘educatie’
 
1 Naamloosheid tot Zelfbeschikking
2 Zelfbeschikking tot Verantwoordelijkheid
 
Levinasontmoeting met de zichzelf wordende medemens
                           ‘van aangezicht tot aangezicht’
 Patiëntontstijging van de eenzaamheid
                            erkenning van ‘alteriteit’
                            (asymmetrisch)
 Psychiatrie aanwezigheid van de ander
                            nabijheid en verantwoordelijkheid
                            community psychiatry
 
1 Het gelaat als persoonlijke expressie
2 Het gelaat als universeel karakter
3 Het gelaat als ethisch imperatief
 
Kwetsbaarheid en weerloosheid als een bevel
geen medelijden maar een eis tot rechtvaardigheid
appel tot verantwoordelijkheid
 
Verantwoordelijkheid is uniek, onvervangbaar
 ‘Edele casuïstiek’: onherleidbare en onherhaalbare uniciteit
 ‘kleine goedheid’ (Petite Bonté) boven elk systeem verheven
 

 

 
India: Lotus in de modderpoel?
 
JONATHAN HOLSLAG,
ONDERZOEKER AAN HET ‘INSTITUTE OF CONTEMPORY CHINA STUDIES’ VAN DE VUB
 
Voor de eigenlijke synthesetekst geven we een overzicht van de regeringsleiders die India gekend heeft sinds zijn onafhankelijkheid. In zijn lezing gaf Jonathan Holslag meer uitleg over de nummers 01, 02, 03, 06, 09, 10 en 13. 
India is een derdewereldland met de kapsones van een grootmacht. De Aziatische reus maakt furore nu Indiase regeringsleiders in internationale gespreksfora een plaats hebben verworven naast de machtigen der aarde. Lidmaatschap van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de diplomatieke stuurcabine van de wereld, prijkt hoog op het verlanglijstje. In de eigen achtertuin zet New Delhi de toon en slaagt het erin door te wegen op het beleid van naburige staten.
Ook de economische plannen van de Aziatische gigant reiken ver. Een aantal Indische bedrijven behoort reeds tot de absolute wereldtop en heeft zich met spectaculaire overnames en investeringen in de kijker gewerkt. Voor India bestaat er geen twijfel dat het succes van buurland China geëvenaard zal worden. Aan de Indische grenzen baant een indrukwekkend netwerk van nagelnieuwe transportverbindingen zich stilaan een weg naar de afzetmarkten en grondstoffenvoorraden in Zuidoost- en Centraal-Azië. Vrijhandelsakkoorden moeten deze toegang op lange termijn verzekeren. India heeft dus duidelijk zijn zinnen gezet op een leidende rol in Azië en daarbuiten.
Dat weerspiegelt zich ook in de militaire opbouw. Al in 1998 maakte het met vijf nucleaire explosies kenbaar dat er met India niet te sollen valt. Wekenlang klonken euforische berichten over ‘India’s toegangsticket tot de eenentwintigste eeuw’. De militaire modernisering blijft niet beperkt tot nucleaire krachtpatserij. De voorbije vijf jaar verdubbelde het defensiebudget. In tegenstelling tot de omzichtige militaire ontplooiing van China, maakt de Indische krijgsmacht allerminst een geheim van zijn toenemende reikwijdte. Door de aanwezigheid van militaire installaties en troepen op nagenoeg alle eilandstaatjes is de Indische Oceaan geëvolueerd tot een Indisch meer. Met de opening van een militaire basis in Tadzjikistan heeft het leger nu ook voet aan de grond in Centraal-Azië. De modernisering van het arsenaal is indrukwekkend. Het orderboek voor de komende vijf jaar is gevuld met twee vliegdekschepen, 12 onderzee-bootjagers, minstens 14 onderzeeërs, 180 gevechtsvliegtuigen en enkele honderden pantser-voertuigen.
Dit alles maakt deel uit van nieuw Indisch zelfbewustzijn dat door de nationale regering onvermoeibaar wordt gepropageerd. ‘India moet zijn economische zelfgenoegzaamheid inruilen voor een open handelsbeleid dat gericht is op de wereld,’ zo luidt het. In het binnenland streeft de overheid naar economische liberalisering. De buitenlandse politiek en het veiligheidsbeleid moeten in eerste instantie de economische ambities ondersteunen, maar vormen tezelfdertijd een belangrijke bron van prestige en nationale fierheid.
 
Stoflaag
 
India’s successen zijn echter even oppervlakkig als de geelgrijze laag zomerstof die ieder jaar opnieuw door de Moessonregens wordt weggespoeld. Om te beginnen blijken de commerciële groeipolen nauwelijks ingebed in de nationale economie. Moderne steden als Bangalore en Hyderabad zijn fonkelende kroonjuwelen te midden van grauwe sloppen en landbouwgebieden die aan de Middeleeuwen doen denken als aan de eenentwintigste eeuw. De informaticasector, het handelsmerk van het nieuwe India, stelt amper 1 miljoen mensen tewerk op een totale beroepsbevolking van 510 miljoen. Dit enorme leger arbeiders vormt zowel India’s grootste troef als uitdaging. New Delhi hoopt dat het deze massa goedkope arbeidskrachten kan valideren op de internationale markt door nieuwe investeerders aan te trekken. Dat is een race tegen de klok. Nu reeds telt India rondom 100 miljoen werklozen, maar door de bevolkingsaangroei komen daar tegen 2030 nog eens meer dan 200 miljoen beroepskrachten bij. Dat betekent dus een behoefte aan 13 miljoen nieuwe banen per jaar.
De Indiërs laten zich echter niet meeslepen door de plannen van de regering om de economie te hervormen. Paupers uiten hun teleurstelling door te stemmen voor oppositiepartijen die er vaak een zeer lokaal en conservatief programma op na houden. Het gevolg is een dramatische politieke fragmentatie waardoor de nationale overheid nauwelijks nog in staat is om een krachtdadig beleid te voeren. De uitbouw van speciale investeringszones werd bijvoorbeeld aanzienlijk beperkt. Projecten om de binnenlandse transport- en elektriciteitsvoorzieningen te verbeteren, geraakten in het slop door eindeloos getouwtrek tussen de deelstaten.
Op een aantal plaatsen uit de frustratie zich in gewapend oproer. 12 van de 28 Indische deelstaten worden geteisterd door de Naxalieten, een verzetsbeweging die vooral onder de verarmde landbouwers snel aan sympathie wint. Een groot deel van het noordoosten is zelfs voor het leger ontoegankelijk door de talrijke afscheidingsbewegingen die er actief zijn.
India’s groeiperspectieven worden verder beperkt door de instabiliteit in de regio. Aartsvijand Pakistan mag dan hebben ingestemd met een dialoog over economische en militaire kwesties; New Delhi beschouwt dit westelijke buurland steeds meer als een onoverkomelijke barrière. De interne onrust in Pakistan maakt het zeer moeilijk om de commerciële contacten met Centraal Azië te verstevigen. Ook van de levensnoodzakelijke olie- en gaspijpleidingen naar Iran en Turkmenistan kan niets terechtkomen alvorens Islamabad de afvallige regio Baloechistan onder controle krijgt. De economische betrekkingen naar het Verre Oosten worden bemoeilijkt door de onrust in Bangladesh en Myanmar. India trekt jaarlijks honderden kilometers prikkeldraad in een vergeefse poging om de grensoverschrijdende criminaliteit uit Bangladesh de pas af te snijden.
 
Spanningsveld
 
India is een lotus in een modderpoel. Ondanks enkele verblindende successen zit het land vastgezogen in een moeras van instabiliteit, economisch conservatisme en een uitgesproken wantrouwen in de wereld. Naarmate de drang om te hervormen toeneemt, ontaarden de sociale en politieke tegenstellingen steeds meer in een ondraaglijk spanningsveld. ‘Voor elke stap vooruit zetten we twee passen achteruit,’ verklaarde een Indische minister. De megastaat kan zich dit talmen echter niet veroorloven. Het moet groeien om te overleven. In het andere geval rest de profetische waarschuwing van Jawaharlal Nehru, India’s politieke vader: ‘India zal verdwijnen als het stopt in zichzelf te geloven.
 

 

Moet ethiek zich aanpassen aan (nieuwe) wetenschappelijke inzichten?

EM. PROF. HERMAN DE DIJN   KULEUVEN
 
In DS van dinsdag 9 februari evalueert Professor Etienne Vermeersch het recente debat tussen collega Rik Pinxten en mijzelf. Met de opmerkingen van Vermeersch richting Pinxten ben ik het verregaand eens. Westerlingen zijn in het algemeen gesproken, vandaag alleszins, niet minder open naar anderen en andere beschavingen dan andere culturen. Ik ben het er ook helemaal mee eens dat men wel personen, niet ideeën moet respecteren. 
Waar het mij primair om ging is dat men uit wetenschap geen fundamenteel ethische normen en waarden kan afleiden. Collega Vermeersch is het daarmee eens; tegen vele anderen in. Alleen is er indirect wel mogelijkheid van beïnvloeding van ethiek door wetenschappelijke inzichten, zo zegt hij. Daar ben ik het dan weer in principe mee eens; in een opiniestuk kan men de zaken zelden in hun volle complexiteit ontwikkelen. Alleen is dit probleem nog ingewikkelder dan Vermeersch suggereert. Nieuwe wetenschappelijke inzichten betreffende een of andere realiteit leiden niet automatisch tot ontkrachting van ethische (of religieuze) inzichten daarmee verbonden. Ook wanneer men te weten komt dat mensen naar hun DNA nauwelijks verschillen van bepaalde andere diersoorten, hoeven we daaruit helemaal niet te besluiten dat we ethisch gezien mensen nu minder en dieren meer moeten respecteren. Wanneer gelovigen een beroep doen op de biologische natuur van de mens om daarmee ethische regels te verbinden, dan is dat natuurlijk evenmin een afdoende rechtvaardiging: biologie levert geen ethische normen op. Gelovigen doen echter waarschijnlijk een beroep op  een niet strikt biologisch, maar een eerder filosofisch of levensbeschouwelijk begrip van de mens, een begrip dat tegelijk descriptief en evaluatief is. Of dat dan een rechtvaardiging biedt voor de ethische opvattingen verdient weer verdere discussie.  
Kunnen wetenschappelijke feiten religieuze opvattingen onderuit halen? Neem Vermeersch’ voorbeeld van een voor het jodendom centraal ‘feit’, de uittocht uit Egypte, die geen historische basis zou hebben. Dat kan inderdaad tot problemen leiden: ofwel een min of meer halsstarrige negatie van de realiteit, ofwel het opgeven van de godsdienst. Maar er is een derde mogelijk-heid. Het is immers perfect mogelijk dat de godsdienst zich aanpast aan de historische waarheid en dat ‘feit’ een symbolische betekenis geeft (blijft geven) niet langer verbonden met historische claims. Dat soort  zaken gebeurt wel meer en lijkt me perfect aanvaardbaar. Denk aan de herinterpretatie van het scheppingsverhaal in een religieuze context: het wordt nu beschouwd als de symbolische uitdrukking van een diepere ‘religieuze waarheid’. Wanneer godsdiensten met feiten te maken hebben, zijn dat hoe dan ook nooit brute feiten, maar betekenisvolle feiten die alleen voor gelovigen de diepere betekenis kunnen hebben die ze voor hen hebben. Het opgeven van historische claims betekent helemaal niet zoals sommigen denken dat religie wetenschappelijker wordt; wel dat ze haar religieuze boodschap ‘uitzuivert’ of herinterpreteert. Het zelfde fenomeen doet zich ook voor buiten de religie. Mensen gebruiken nog altijd het woord ziel, tot ongenoegen blijkbaar van Vermeersch. Dat gebruik hoeft niet te betekenen dat men bepaalde wetenschappelijke inzichten negeert. Het kan gewoon betekenen dat men daarmee iets wil uitdrukken dat in de wetenschap niet aan bod komt (en kan komen), maar dat zich in de sfeer van de intersubjectieve leefwereld opdringt  - ook voor de strafste wetenschapper als hij of zij zich ten minste op een echt menselijke manier verhoudt tot de naasten. De ziel, zo zegt Wittgenstein in dit verband, kunnen we niet negeren: telkens we een menselijk gelaat zien, niet als vlees en beenderen, maar als het gelaat van een geliefd wezen of van een absoluut te respecteren persoon, dringt een dergelijk begrip zich op. Vandaar dat het begrip ook niet zomaar verdwijnt, ook al ontdekt de wetenschap geen ziel. 
 
Wie meer wil lezen over deze thematiek kan zich wellicht het boek aanschaffen
van prof. De Dijn: Taboes, monsters en loterijen,
uitgegeven bij Uitgeverij Pelckmans, Kapellen.
 
Van Homo Erectus en andere verhalen. 
Bijdrage van DNA tot ons inzicht in de evolutie 
van de Homo
 
EM. PROF. JEAN-JACQUES CASSIMAN KULEUVEN
 
De explosieve groei van biotechnologische methoden heeft ook een reeks belangrijke toepassingen mogelijk gemaakt in niet-medische domeinen. In het DNA van mens en dier vindt men immers korte fragmenten, die zich een variabel aantal malen herhalen. Het aantal herhalingen is karakteristiek voor een bepaalde persoon. Wanneer men een reeks van dergelijke DNA fragmenten gaat onderzoeken kan men een DNA profiel opstellen dat uniek is voor elke persoon.
Binnen het DNA van een man is er ook het DNA van zijn Y-chromosoom dat ook dergelijke fragmenten bevat. Vermits het Y-chromosoom van vader op zoons onveranderd wordt overgeërfd biedt het de mogelijkheid om een ononderbroken mannelijke lijn over verschillende generaties te reconstrueren. Op die wijze kan men bvb de verwantschap tussen mannen die eenzelfde familienaam dragen bewijzen. Uiteraard kunnen gevallen van niet-biologisch vaderschap roet in het eten gooien...
Naast het kern DNA, dat we voor 50% van vader en voor 50% van moeder erven, bevindt er zich nog een kleine hoeveelheid DNA in de mitochondriën, de energie centrales van elke cel. Merkwaardig genoeg erven we dit mtDNA enkel van onze moeder.
Deze verschillende benaderingen vinden vandaag hun toepassing in gerechtelijk onderzoek – het vergelijken van het DNA profiel van een biologisch spoor met dat van verdachten of slachtoffers – in vaderschapsbepalingen, in het oplossen van historische zaken – de Romanov’s, Lodewijk XVII etc – maar ook in het onderzoek van menselijke resten bij archeologische opgravingen. Bovendien kan het DNA onderzoek ons ook heel wat leren over wie onze stamvaders en stammoeders zijn
geweest (50.000 tot 200.000 jaar geleden) wanneer zij vermoedelijk hebben
geleefd en of we nu afstammen van de Neanderthalers of niet.
 
Onderzoek van de genetische diversiteit initieel in dienst van het gerecht
 
In 1985, werd, bij toeval, door de Engelse wetenschapper Alec Jeffreys vastgesteld dat bepaalde DNA-segmenten een zeer hoge variabiliteit vertoonden. Hij noemde deze segmenten minisatelliet DNA of VNTR’s. Door speciale technieken toe te passen bekwam men een DNA patroon dat zo variabel was dat 2 individuen, met uitzondering van eeneiige tweelingen, een verschillend patroon vertoonden. Deze patronen noemde men een "DNA-vingerafdruk" naar analogie van onze vingerafdrukken die ook verschillend zijn van persoon tot persoon, zelfs bij eeneiige tweelingen. In de loop der jaren heeft het DNA-onderzoek een evolutie gekend niet alleen op het vlak van de gebruikte genetische variatie maar ook op het vlak van technologie. Het gebruik van korte DNA-fragmenten, zoals STR’s Short tandem Repeats), in combinatie met DNA-amplifikatie heeft het voordeel dat zelfs gedegradeerd DNA kan geanalyseerd worden. 
Naast de STR's kan men voor genetische identificatie ook gebruik maken van het mitochondriaal DNA. Deze DNA-molecule is niet alleen populair in de studie van de genetische evolutie van de moderne mens maar kan ook bijdragen in de identificatie van haren uit bvb. een bivakmuts. Elke persoon verliest per dag spontaan 10 tot 20 hoofdharen. Deze haren bevatten geen haarwortel meer en het is enkel in de haarwortel dat er voldoende kern-DNA aanwezig is voor de analyse van STR's. De haarschacht bevat echter nog voldoende mitochondriaal DNA voor DNA-analyse. Hierbij is de analyse gericht op de genetische variatie in de niet-coderende regio (HV1 en HV2) van het mitochondriaal DNA dat met behulp van PCR en sequentie analyse in het licht wordt gesteld. Gemiddeld vertonen 2 niet-verwante personen van Europese afkomst 8 verschillen in HV1 en HV2. De bewijskracht van het mitochondriaal DNA wordt beperkt enerzijds door de maternale overerving en anderzijds door de aanwezigheid van bepaalde sequenties met een hoge frequentie (tot 3%) in de Europese bevolking. Dit maakt dat het mitochondriaal DNA vooral voor exclusie doeleinden geschikt is en dat bij inclusie het enkel bruikbaar is als aanvullend bewijs. 
Naast het mitochondriaal DNA dat exclusief via de moeder wordt overgeërfd, heeft het kern-DNA een "tegenhanger" dat exclusief via de vader wordt doorgegeven aan het mannelijke nageslacht, nl. het Y chromosoom. De STR's die hierop gelokaliseerd zijn, kunnen ook gebruikt worden voor genetische identificatie. De Y chromosoom STR's bieden een mogelijkheid om specifiek enkel het mannelijk DNA in het spoor te analyseren en toch een resultaat (Y-STR profiel) te bekomen dat toelaat de dader te identificeren. Analoog aan het mitochondriaal DNA zullen de Y chromosoom STR's eveneens niet toelaten om aan te tonen wie van de 2 verdachte broers de dader van de verkrachting is.
 
Naar de toekomst toe wordt veel verwacht van de SNP's (Single Nucleotide Polymorphism) voor genetische identificatie. De recente ontdekking dat ons genoom meer dan duizend plaatsen vertoont waar stukken DNA in meerdere kopijen aanwezig zijn of verdwenen zijn, zou eveneens een verklaring kunnen bieden voor de fysische verschillen tussen individuen. Deze plaatsen noemt met Copy Number Variation of CNV's en omvat bijna twaalf percent van ons genoom. Ongeveer tien procent van de genen zijn gelokaliseerd in deze CNV's en de variatie in expressie van deze genen zou de basis kunnen vormen voor fysische en persoonlijkheids kenmerken.
 
Gezien deze SNP's zich op een veel kleiner DNA-fragment bevinden kunnen ze meestal nog geanalyseerd worden in DNA met een gemiddelde lengte van 100 baseparen. Verscheidene SNP's komen bijna exclusief voor in bepaalde bevolkingsgroepen. Selectie van deze SNP's laat toe een SNP-profiel op te stellen dat moet toelaten de bevolkingsgroep te identificeren van de donor van het profiel. Dit zal enkel mogelijk zijn wanneer we de beschikking hebben over databanken met SNP-gegevens van zo veel mogelijk verschillende bevolkingsgroepen.
 
De genetische evolutie van de mens
 
Moleculaire biologie en de studie van de genetische verscheidenheid tussen populaties hebben de laatste 2 decennia een belangrijke bijdrage geleverd in onze kennis van de recente evolutie van de moderne mens. 
Het idee dat de moderne mens zijn oorsprong vindt in Afrika werd initieel sterk bekritiseerd. Zowel DNA analyse van de autosomale chromosomen als van het Y chromosoom duiden op dezelfde oorsprong. Deze studies zijn enkel onzeker betreffende het moment wanneer onze voorouders in Afrika leefden en het moment wanneer de moderne mens verscheen in andere continenten. Terwijl de studie van het mitochondriaal DNA wees op 190.000 jaar geleden komt een recente studie van genetische diversiteit van het volledige mitochondriaal genoom op 170 000 jaar. 
Het feit dat de berekening voor mitochondriaal DNA (maternele lijn) ongeveer 200 duizend jaar geleden geeft en dat het Y chromosoom (paternele lijn) 100 duizend jaar aangeeft betekent niet dat we afstammen van één vrouw ("Eva") en van één man ("Adam"). 
Dit is momenteel het standaard model van de evolutie van de moderne mens. Het wordt ook "Out of Africa 2"  genoemd aangezien de eerste expansie uit Afrika naar Azië ("Out of Africa 1") gebeurde door Homo erectus ongeveer 1,7 miljoen jaar geleden. De verspreiding van de moderne mens naar Azië zou via 2 verschillende routes zijn gebeurd. Een zuidelijke route langs de kusten naar Zuid-Oost Azië en vervolgens naar Australië, en een route naar Centraal-Azië van waaruit Europa, Siberië, Japan en Noord-Amerika werd bevolkt. Uiteindelijk bereikte de moderne mens Zuid-Amerika ongeveer 10 duizend jaar geleden. 
Waar het mitochondriaal DNA onderzoek van de Neanderthaler geen bewijzen had voor vermenging met de moderne mens, heeft onderzoek van nucleaire DNA sequenties van de Neanderthaler wel een indicatie gegeven. De vooruitgang in de technologie heeft het mogelijk gemaakt om in 2006 voor de eerste maal een miljoen basenparen van het nucleair genoom van de Neanderthaler te bepalen. Vergelijking met dezelfde sequenties van Homo sapiens bevestigde de datering van de splitsing tussen de takken Homo neanderthalensis en Homo sapiens. Opmerkelijk was de identificatie van SNP's in het genoom van de Neanderthaler die vermoedelijk afkomstig zijn van de moderne mens. Alhoewel de wetenschappers hierover nog geen overeenstemming hebben bereikt, zou dit betekenen dat er toch vermenging is geweest waarbij vooral de mannelijke Homo sapiens zou "vreemd" gegaan zijn met de vrouwelijke Neanderthalers. 
 
Bepaling van verwantschap via genetische variatie
 
De DNA-profielen kunnen ook worden gebruikt om het biologisch vaderschap aan te tonen. 
Analoog aan de bepaling van het biologisch vaderschap kan men eveneens het biologisch moederschap bepalen. Meestal wordt dit niet in vraag gesteld maar bij gezinshereniging van personen die het statuut van politiek vluchteling hebben bekomen, wil de overheid steeds vaststellen dat het ook de biologische kinderen zijn van deze persoon. Een DNA-onderzoek is ook betrouwbaarder dan sommige "officiële" documenten (o.a. geboorteakte) uit het buitenland waarbij vervalsingen niet ongewoon zijn.
Net zoals bij genetische identificatie kan de analyse van Y-STR's of het mitochondriaal DNA nuttig zijn in het vaststellen van biologische verwantschap. 
 
Genetische variatie en genealogie
 
Y-STR's en mitochondriaal DNA zijn ook ideale genetische merkers voor genealogische analyses. Hierbij kan nagegaan worden of 2 mannen met een gelijkaardige familienaam mogelijk dezelfde voorvader hebben gehad. Analoog toont het mitochondriaal DNA aan of 2 personen dezelfde voormoeder hebben. Deze toepassing kan ook gebruikt worden op skeletresten uit een graf en laat dan ook toe om bepaalde "historische vraagstukken" wetenschappelijk te bewijzen via DNA-analyse. Zo toonde het Laboratorium voor Forensische Genetica en Moleculaire Archeologie van de K.U.Leuven aan dat Karl Wilhelm Naundorff die stierf in 1845 en begraven werd in Delft (Nederland), niet de zoon (Lodewijk XVII) kan zijn van Marie-Antoinette, de laatste koningin van Frankrijk, in tegenstelling tot wat zijn nakomelingen tot nu toe beweerden. In een "uitloper" van deze studie werd het mitochondriaal DNA van de spier van een hart geanalyseerd. Dit hart was volgens de historici afkomstig van Lodewijk XVII die als kind in 1795 stierf aan tuberculose in een gevangenis in Parijs tijdens de Franse revolutie. Het mitochondriaal DNA van het hart was identiek aan dat van de Habsburg-familie en hierdoor kon vastgesteld worden dat het hart hoogstwaarschijnlijk ook afkomstig was van Lodewijk XVII en bijgevolg de historische gegevens bevestigde.
 
 
De DNA molecule zorgt dus als het ware voor de fysische continuïteit tussen de generaties en kan dus met succes worden aangewend om bepaalde vormen van afstamming te achterhalen al blijft het gebruik van deze mogelijkheden voorlopig nog redelijk beperkt.
 

 

 

China, globalisering en ecologie
 
PROF. HANS BRUYNINCKX  KULEUVEN
 
Na de dood van Mao in 1976 en vooral sinds het leiderschap van Deng Xiaoping eind jaren ’80, is China bijzonder snel geëvolueerd van een redelijk geïsoleerd land naar een centrale actor in een aantal processen die we samen globalisering noemen. De strak geleide planeconomie die China kenmerkte tijdens het grootste deel van de naoorlogse periode heeft geleidelijk plaats gemaakt voor een centraal geleide markteconomie. Op het eerste zicht is dit een tegenstelling, maar China is er zeer planmatig in geslaagd om in eerste instantie de productie van binnenlandse basisconsumptiegoederen aan te zwengelen, om vervolgens eerste stappen te zetten op de internationale markten. Deze evolutie werd ondersteund door buitenlands kapitaal, dat aangetrokken werd door het enorme potentieel van de Chinese markt en de zeer gunstige investeringsvoorwaarden. Op deze manier kwam ook noodzakelijke technologische vernieuwing het land binnen en werden meer Westerse productieprocessen de norm. Bijgevolg werd China in recordtempo een belangrijke producent van consumptiegoederen, gaande van goedkoop speelgoed en laagwaardig textiel tot hoogwaardige hardware. Het is ondertussen algemeen bekend dat de economische groeicijfers  9 tot 10 procent per jaar bedragen. 
 
Alhoewel de economische dimensie van globalisering wellicht de meest besproken en opvallende is, is China ook op een aantal andere vlakken onmiskenbaar deel van globaliseringprocessen geworden. De aandacht voor de wel erg trage interne politieke veranderingen versluieren een beetje dat China in internationale instellingen en in de internationale diplomatie geëvolueerd is van een vaak afwezige actor naar een actieve participant. Ook op het vlak van sociaal-culturele uitwisselingen is erg veel veranderd. Het gesloten en haast mysterieuze China heeft zich opengesteld voor onderzoekers, studenten en toeristen. Chinese studenten, academici en kunstenaars hebben veel meer bewegingsvrijheid gekregen om internationaal actief te zijn. Het pronkstuk van het nieuwe China en het belangrijkste uithangbord voor de wereld waren de Olympische Spelen. 
 
Maar naast een aantal positieve elementen zijn er ook aspecten die meer zorgwekkend zijn. Naast de zeer trage politieke veranderingen en terechte bezorgdheden over de mensenrechten, is er in de laatste vijf jaar nogal wat aandacht gegaan naar de enorme milieukosten van het Chinese economische wonder. De lezing van vandaag gaat precies over dit thema.
 
De milieuproblemen in China zijn bijzonder omvangrijk. Een aantal basisfeiten illustreren dit. Van de 20 meest vervuilde steden in de wereld zijn er 16 Chinees. Rond deze tijd haalt China de VS in als grootste uitstoter van broeikasgassen. De meeste rivieren in China zijn zo vervuild dat drinkwater een serieus probleem dreigt te worden. Ontbossing en woestijnvorming zijn bij de ernstigste in de wereld. Kortom, de ecologische kosten voor de economische ontwikkeling zijn zorgwekkend hoog.
 
De vraag is uiteraard welke factoren geleid hebben tot dit soort buitengewoon ernstige milieuverontreiniging. We kunnen een aantal primaire factoren onderscheiden. Vooreerst is er de enorme toename van de binnenlandse productie. Het productieapparaat is uitgebreid en dit met vaak inefficiëntie technologie en vooral een gebrek aan milieutechnologische ingrepen om verontreiniging te vermijden. Veel van die productie is bestemd voor de export, maar in de laatste jaren is ook de binnenlandse consumptie spectaculair toegenomen. Dat heeft uiteraard ook positieve aspecten. De gemiddelde Chinees kon absoluut niet genieten van wat wij basiscomfort zouden noemen. Maar die binnenlandse consumptie heeft ook geleid tot bijkomende pollutie. Vooral omdat ze samengaat met een ongekend snelle verstedelijking. De consumptiepatronen van oude en nieuwe stedelingen zijn op alle vlakken veranderd met toegenomen verontreiniging als gevolg. Sterk gestegen energieverbruik, snelle toename van het autogebruik, veranderingen in voedselpatronen, enz. Het gebrek aan milieubeleid is een andere essentiële factor. ‘Groei, groei, groei’ is gedurende 15 jaar de enige echte beleidsdoelstelling geweest. Het Chinese milieubeleid was bewust zwak, politiek onbelangrijk en in de feiten vaak onbestaande. Daarin is de laatste jaren wel stilaan wat verandering gekomen. De overheid investeert meer in de uitbouw van milieubeleid en omwille van de grote maatschappelijke kostprijs van de verontreiniging zijn milieuproblemen ook hoger op de politieke agenda gekomen.
 
Uiteraard zijn we ons bewust van de enorme verschillen binnen China. De problemen die we beschrijven zijn vooral en feit in het Oosten en Zuidoosten van China. Het is nog steeds zo dat honderden miljoenen Chinezen in het binnenland en het Westen in grote armoede leven. Hun situatie is veel minder veranderd. Wel zijn ze noodzakelijk voor de algemene evolutie in het land, o.a. omdat ze de haast onuitputtelijke en goedkope arbeidsreserve zijn. De milieuproblemen waarmee deze gebieden te kampen hebben zijn veel meer ontbossing, landdegradatie en lokale verontreiniging door bijvoorbeeld een gebrek aan afvalverwerking.
 
De koppeling met de energieproblematiek is evident. Het energiegebruik in China is het laatste decennium sneller gegroeid dan de economie. Dit wil zeggen dat de economie nog energie-intensiever geworden is. Bovendien is de energieproductie gebaseerd op verouderde technologie en op steenkool. Deze combinatie zorgt voor enorme uitstoot van broeikasgassen en veroorzaakt zure regen. Door de groei is China eveneens genoodzaakt om de energiebevoorrading via het buitenland te verzekeren. De concurrentie op de internationale energiemarkten is versterkt door de Chinese (en Indische) vraag. De Chinese reactie op het probleem van energiebevoorrading is dubbel. Enerzijds tracht China oliecontracten af te sluiten met bepaalde landen. Het lijkt daarbij te kiezen voor landen die vaak een dubieuze reputatie hebben op het vlak van mensenrechten en ook aandacht voor het milieu. Onder andere Chinese contracten en investeringen in Sudan en Birma zijn erg scherp bekritiseerd. Een tweede reactie is het diversifiëren en moderniseren van de interne energieproductie. Nieuw is daarbij de aandacht voor hernieuwbare energie. China heeft zich internationaal geëngageerd om de grootste producent van wind en zonne-energie te worden tegen 2020. Dit toont toch ook een langzame verschuiving aan bij de Chinese besluitvormers.
 
De ecologische gevolgen van de Chinese groei hebben eveneens een belangrijke internationale dimensie. Vooreerst omdat verontreiniging uiteraard niet stopt aan de landsgrenzen. Chinese luchtverontreiniging is in heel Azië en zelfs tot aan de westkust van de VS meetbaar. Verontreinigde rivieren stromen Rusland en de Zuidoost Aziatische buurlanden binnen. Minder geografisch aanwijsbaar, maar daarom niet minder belangrijk, is dat de Chinese verontreiniging het globale ecosysteem verder aantast. De druk op China om als actieve partner toe te treden tot internationaal milieubeleid is groot. De belangrijkste ‘test’ in dat opzicht is het klimaatverdrag. China heeft geen enkele verplichting om aan emissiereductie te doen. Het is duidelijk dat vooral de VS, maar ook de Europese Unie niets minder verwachten van China dan een duidelijk engagement in de opvolger van het Kyoto Protocol. Het Chinese argument dat het als ontwikkelingsland recht heeft op economische ontwikkeling en door klimaatbeleid de noodzakelijke economische groei zou bedreigd zien, is daarbij belangrijk, maar geen excuus meer om geen duidelijke engagementen aan te gaan. De internationale geloofwaardigheid van China op het vlak van milieubeleid staat hier op het spel. 
 
Het is voor velen duidelijk dat China na het economisch mirakel een ecologisch mirakel zal nodig hebben. De prijs voor ongebreidelde en ongecontroleerde groei is zwaar. Alhoewel de levenskwaliteit van vele Chinezen is toegenomen door de nieuwe consumptiemogelijkheden, is het even correct om te stellen dat diezelfde levenskwaliteit wordt aangetast door allerlei vormen van verontreiniging. Omwille van de omvang van het land en de omvang van de problemen is de Chinese uitdaging om hier iets aan te doen meteen ook van globaal belang. Een meer ecologische globalisering zal dus een sterke Chinese dimensie moeten hebben om succesvol te zijn. 
 
 
Achter de cel vermiste personen
 
ALAIN REMUE, VOORZITTER CEL VERMISTE PERSONEN
 
Volgende tekst is een samenvatting van de belangrijkste elementen uit de lezing van de heer Remue.
 
Wat is de Cel? In september 1995 werd ze opgericht onder de huidige en ook toenmalige Minister van Justitie Stefaan De Clerck als ‘een gespecialiseerde operationele steundienst van de federale politie’. Ze is dus hulp voor de lokale politie zo deze oordeelt dat een verdwijning onrustwekkend is. En weet zeker dat men dagelijks 4 à 5 nieuwe oproepen krijgt. Als steundienst verleent de Cel advies en overleg alsook de middelen die men lokaal niet heeft. In essentie ging het over vermiste kinderen, maar nu uitgebreid tot ‘vermiste personen’. Wat niet onrustwekkend is komt niet ter sprake. Dus, geen tussenkomst voor de knaap die voor de 8e keer wegvlucht uit de instelling in Ruiselede. Iedere verdwijning is mysterieus. Bij een moord heeft men een startpunt, een lijk en de autopsie. Hier start men van nul. Er zijn wel ideeën. Denk aan het geval van de Belg, in rode vest, die wandelde in het groene landschap op de Hoge Venen en verdwaalde. Pas 5 maanden geleden werd de schedel door een herder gevonden en men vond, 600 meter voorbij de verste zoeklimiet, dit wat de everzwijnen overlieten.
Er wordt niet gezocht bij rampen, wel naar vermiste individuele lichamen en lichaamsdelen. Soms is iemand niet gemist, zoals illegalen, soms zelfs iemand uit het buitenland.
Zo bestaat de overeenkomst ‘missing persons North Sea’. Een drenkeling uit Frankrijk kan hier aanspoelen. Er zijn de amnesiepatiënten (geheugenverlies) en de psychiatriepatiënten (sans papiers).
In de 15 jaar dat de Cel bestaat kreeg men 15 760 dossiers te verwerken. Sommige werden opgelost in 20 minuten. (Denk aan het kind dat met de bal speelt en na een korte tijd bij de buren wordt teruggevonden). De 1 413 dossiers van kinderen van minder dan 13 jaar (de weglopertjes) worden bijna allemaal goed opgelost, maar in 2009 waren toch 5 van minder dan 5 jaar die gestorven waren. Van alle dossiers werd 93 % opgelost, maar voor 1073 was er geen oplossing. Soms was er een afscheidsbrief, zelfs zag men een auto van een brug rijden, maar de auto werd niet teruggevonden. Het lichaam van het jongste ooit vermiste kind, Liam Van den Branden op 3-5-1996, werd teruggevonden. Waarschijnlijk in het water gevallen aan het Zennegat aan de samenvloeiing van Zenne en Dijle in Mechelen. Is het kind ontvoerd door iemand die geen kinderen kon krijgen of een kind verloor? Vader Dirk gelooft dit niet en zegt steeds tevreden te zullen zijn wanneer hij het kind zal kunnen begraven. Zeker is ‘niet weten’ erger dan de dood en afscheid kunnen nemen en rouwen is zeer belangrijk.
 
1 099 van de verdwijningen wezen op zelfmoord, waarvan 682 door verdrinking (een zeer pijnlijke doodstrijd, die tussen 4 en 8 minuten kan duren). Na Finland zijn wij het land met de meeste zelfmoorden van Europa, en dit meer en meer jonge mensen, zelfs een jongetje van 11 jaar. Ook 169 personen maakten een einde aan hun leven door verhanging. In 143 gevallen waren het moorden, natuurlijk overlijden betrof 109 gevallen en 283 gevallen waren het gevolg van ongevallen. Bij verdrinking kunnen heel wat problemen ontstaan. Het lichaam blijft liggen op de bodem, maar, eb en vloed, ontbinding van het lichaam, sluisdeuren en het werk van palingen en snoeken spelen een grote rol. Soms weet men dat iemand met de wagen het water inreed en toch vindt men ze niet. Niet telkens zo gemakkelijk als met de zwaar zieke vrouw die in een afscheidsbrief vermeldde dat ze het water zou inrijden bij de koekjesfabriek van Delacre. Soms is men verplicht hele stukken van een kanaal uit te kuisen en te werken met scanners van Sonar.
De gevonden wagen dient vervolgens rustig worden uit het water gehaald en ontmanteld. Een grote hulp bij identificatie zijn de tanden.
Spreker geeft als voorbeeld de auto met een man en vrouw er in, na 20 jaar toevallig gevonden door duikers in de sluis van Nieuwpoort.
 
In de Cel geldt een bepaalde filosofie:
1) elke zaak is verschillend - geen sprake van routine 
2) tijd is essentieel - de eerste 24 u. zijn cruciaal
3) ’zeg nooit, nooit’ - mensen doen de gekste dingen.
 
Bij onderzoek van een verdwijning is de eerste vraag: wie zoeken we, dus het profiel van de vermiste? Nazicht eventuele problemen in gezin, thuis op het werk, kennissenkring, m.a.w. een compleet zicht op de mens. Waar hoort hij thuis? Er is een heel groot verschil tussen opzoeken in Damme of het Quartier Saint-Leonard in Luik, het Luikse Indianengebied waar Stacy en Nathalie verdwenen. Tijdens het wijkfeest aldaar wordt stevig gedronken en ook de stiefouders van de kinderen deden duchtig hun best. Van de plaatselijke bevolking voor de onderzoekers meer tegenstand dan hulp. Ieder pand werd doorzocht, ook de mogelijkheid van verdrinking in de Maas nader bekeken, enz. Pas 19 dagen later komt het besef: ze werden vermoord.
Mr. Remue zegt: ik keek in de ogen van het kwaad, het was een ziek beest. Wie zoekt, die vindt, maar zoeken is één zaak en vinden iets anders. Met gezond boerenverstand kan veel opgelost.
Er zijn heel wat partners voor de 14 mensen van de cel. Opsporingsberichten zijn zeer belangrijk, luchtsteun met camera's, brandweer, strijdkrachten, civiele bescherming bieden, zo nodig, hulp. Ook de honden mag men niet vergeten.
Men heeft speurhonden die werken op de geur van mensen of pas overleden mensen. Wat we met ons lichaam ‘meeslepen’ en ‘rondstrooien’ noemt men onze ‘onderlucht’ en die is persoonlijk en dit volgt de hond. Dan zijn er ook nog de lijkhonden die zoeken naar vers bloed en de geur van bloed. Denk aan de man die er aan dacht, boven zijn vrouw, die hij vermoordde en in de grond stak, zijn gewurgde kat in te graven. Er zijn ook nog de honden uit Nederland, speciaal opgeleid om te werken van af een boot.
 
Vaak worden Alzheimerpatiënten als vermist opgegeven. Gelukkig blijken ze in 65 % van de gevallen nog aanwezig in het gebouw. Zoals de dementerende tachtigjarige vrouw, die, pas nadat Moeder Overste in het rustoord gedwongen werd de deur te openen van de technische ruimte, terug gevonden werd naast de chauffageketel. Heel belangrijk is ook ‘the point last Been’, dus daar waar de vermiste met zekerheid het laatst is gezien, en ook het ‘stilzwijgend hulpgeroep’ (bv. buren die zien dat al meerdere dagen de rolluiken beneden bleven of de auto enkele tijd op dezelfde plaats bleef). A. Remue vond de ‘vermiste’ in de kleerkast, met een wapen zelfmoord gepleegd.
De natuur is zeker voor veel onderzoeken een ware vijand. Extreme natuurelementen vernietigen veel, zodat men niets meer terugvindt.
Spreker wijst op het geval van een man die niet meer te herkennen, teruggevonden werd in Sambre-Ville, tegen een kolenterril, slechts 2 weken na zijn verdwijning. Met een punt 22 sport-pistool pleegde hij zelfmoord met een kogel in zijn voorhoofd. Uit de wind, in volle zon en tussen het groen trad de ontbinding des te vlugger in. Dankzij de ‘forensische entymologie’, die de larven en insecten op en rond een gevonden lichaam onderzoekt, kan men ook bepalen sinds hoelang een persoon overleden is.
En om te eindigen nog volgend verhaal We volgen 2 Brusselse klassen die een daguitstap maken en vertrekken in Brussel- Zuid. Onze held is de zesjarige Johan Digeon. Zijn klas maakt een uitstap van Brussel naar Knokke. De kleine is een echte treinfreak, komt voor het eerst in een station en droomt van de treinrit. Bij aankomst in Knokke mist men één leerling. De Cel wordt opgeroepen, Child Focus wordt verwittigd en alle voorbereidingen voor de opsporing tussen Brussel en Knokke worden in gang gezet. Een man van de Cel loopt, bij het naar huis rijden, in Etterbeek de kleine Johan tegen het lijf. Wat was er gebeurd? De kleine die een heel mooie plaats wou op de trein was vlug, maar op de verkeerde trein opgestapt en deed de reis, met een andere klas naar de Grotten van Han. Niemand van die klas had hem die dag bemerkt. Honderden hadden hem gezocht tussen Brussel en Knokke en hij zat langs de andere kant van het land. Eind goed, alles goed. 
 

 

De zelfontplooiing uitgedaagd: over generaties en waarden

NOËL SELIS
 
Hieronder volgt een goede synthesetekst van de lezing die de heer Selis hield op
13 februari 2012.
 
De spanningen en het onbegrip tussen jongeren en (groot)ouders is van alle tijden. Toch lijkt die vandaag groter dan ooit. Zonder afbreuk te doen aan de maatschappelijke, familiale en culturele factoren lijkt de uiteindelijke oorzaak van dit onbegrip gezocht te moeten worden op het dieperliggend niveau van de waarden- en normenpatronen van beide generaties. Het opzet van deze lezing bestaat erin een analyse te maken van de postmoderne waarden- en normenpatronen van beide generaties, en wegen te zoeken om, voorbij de ergernis, zinvol en goed met elkaar samen te leven.  
 
Postmodernisme heeft geleid tot een individualistische invulling van zingeving en moraal. Dit individualisme is voor een deel utilitair en voor een deel gericht op expressie. Deze lezing focust op het postmodern expressief individualisme dat uiteenvalt in een cultuur van zelfbeschikking en –ontplooiing. De “ME” (millennium editie) van de hedendaagse jeugd wordt gekarakteriseerd door een groot eigenwaardegevoel, waarbij het autonome individu voor zichzelf uitmaakt wat hij of zij het beste vindt. De vraag naar wat ‘waarde’ heeft en zinvol is, wordt gedelegeerd naar het privéterrein, de zogenaamde privatisering van de moraal. Er lijkt een afnemende bereidheid om zich te conformeren aan ideeën van anderen. Terwijl bij de oudere generatie objectieve waarden en principes gelden die leiden tot een plichtenethiek, viert bij de jonge generatie het emotivisme hoogtij, gebaseerd op een spontaan, subjectief aanvoelen. Deze tweedeling ligt aan de basis van de ergernissen tussen beide generaties in het dagelijks leven. 
 
Deze constataties leiden tot de volgende bedenkingen:
 
1. De ‘cultus van het zelf’ draagt in zich het gevaar voor sociale onrechtvaardigheid. De individuele keuze als enige bron van waarden en normen faciliteert de antropologische neiging om de rechten en lusten alleen voor zichzelf te laten gelden en de plichten en lasten door te schuiven naar anderen. In theorie zouden instanties als ombudsdiensten en organen als overlegplatformen de onvermijdelijke lasten evenredig moeten verdelen, maar in de praktijk vallen ze meestal te beurt aan de arme, de zwakke, de minder welbespraakte medemens. 
De uitdaging bestaat er dan ook in opnieuw het ‘samenleven’ centraal te stellen vanuit gemeenschappelijke waarden en   
afspraken. Een moderne samenleving staat voor de opgave een grote mate van pluriformiteit te laten samengaan met een 
voldoende eenheid en gemeenschappelijkheid.
 
2. De ‘cultus van het zelf’ houdt ook het gevaar in van individuele ontnuchtering, eenzaamheid, cynisme, angst en depressie. De cultuur van het voortdurend ‘claimen’ leidt dikwijls tot overtrokken verwachtingen m.b.t. het eigen leven en de realiteit. Een frontale botsing met de harde realiteit van het leven behoort aldus tot de reële mogelijkheden.
Deze cultuur kan maar doorprikt worden door het aanleren van een voldoende mate van zelf-weerbaarheid.
 
3. Het gecultiveerde emotivisme leidt tot een oppervlakte-cultuur, waarin de basale wensen als fundamenteel beschouwd worden. De formele tolerantie, eigen aan een dergelijke cultuur leidt op haar beurt tot een gebrek aan inhoudelijke reflectie. Het subjectieve fundament van de emotivistische ethiek genereert bovendien relativisme, waardoor het ethisch besef op losse schroeven komt te staan.
 
Rest ons nog de vraag: 'Hoe komt men van hieruit tot een leefbare samenleving?'
Vanuit de wetenschappelijke vaststelling dat de mens verre van het centrum van de kosmos is, lijkt de evolutie van een op individuele gevoelens gebaseerde ethiek naar een objectieve en redelijke ethiek, die gebaseerd is op universele waarden en principes, dringend wenselijk.
De ‘plicht’ tegenover deze waarden mag echter niet, zoals in het verleden, van buiten uit opgelegd worden, maar dienst autonoom tot stand komen door een intern besef van sociale verantwoordelijkheid. Er is dus weldegelijk een punt waar vrijheid en verantwoordelijkheid elkaar raken.